Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26]

 

10 JANUARY 1778

10  van nagt nu en dan geregent niets ontwaard, met den dag de wind door het noorden w:n:w, met opklarende lugt frisse wind, hoorde de zee rasen, zo dat denk dat het gestormd heeft. trok, omtrent agt uren oost z:o: op nog al over hetselfde hoge ruggig terrein met draayen het wierd allerschoonst weer met deselfde wind met de middag waaren de hoogtens gepasseert, en trokken door langsaam rysende en dalende schone grasvelden hetzelfde terrein als gisteren, geen ene klip en in de laagtens regenwater valeyen, waar in [veel] eenden en talingen. op de regterhand strekten die hoge ruggen die meer bossig wierden, op de distantie van een groot uur, sig tot de duinen. passeerden vele caffers cralen, en vele troppen vee en vermaakte my seer met deselven, zy dansten en songen al met de wagen melopende, in den agtermiddag, zagen wy een grote kraal of dorp, en het quam swart van

 

caffers na my toe lopen sy vroegen my om stil te houden dat hun capitein aankwam, het gene ik deed, wat daar na quamen twe oude gryse mannen, met een grote trop mannen vrouwen en kinders, sy omcingelden my van alle kanten, het waren de twe capteins titi en tsaka, de eerste de broers [zoon] van oude paro, gaf hun wat tabak sy vroegen waar van daan quam, en om yser sey dat ver uit het land quam en geen yser had, tsaka die hottentots sprak vroeg om een geschenk dat seide hy groot volk altoos deed als sy by malkander kwamen, gaf ieder captein een bosje kralen, en het volk kleine stukjes tabac, sy stuurden om melk, dog seide dat de son laag wierd en dat haast had, sy vroegen weer om myn hond. dog dit weigerende liepen sy nog wat me, en keerden toen na hun dorp vervolgden, vervolgden deselfde coers, quetsten een hartebeest en schoot enige eendvogels, arriveerden met sons ondergank by een dorp caffers. de welke in het begin bang voor my waaren, dog by hen gaande en hun tabac gevende vond hen de vrolikste beste menschen van de wareld

sy toonden my hunne tuinen gaven my melk, en bedelden met veel moderatie. sag hun hunne beesten melken, die seer mak syn, sy praten er eerst tegen als of iemant sonder attentie een gebed rabbelde, dan fluitende, bonden nog tans de agterbenen vast. en melkten dus de man al pratende. ruilde van dese man poemla genaamt een mantje en calabas. en ging na nog met maneschyn door hunne hutten hun singen gehoord te hebben, na de tent terug geconvoyeerd van vier caffers, dewelke na gerookt te hebben naar hun dorp gingen. dit waren soldaten of volk van capt: umsella die over de rivier lag.

(in margine: a 12 uren o t n van ons) na een uur in de tent geweest te zyn quam nog een caffer myn een mande melk brengen. myn paard was weggelopen na het caffers dorp. en sy bragten het opstaande voet terug. de hyaena quam digt by ons huilen cours en verheid van daag agt a negen uren o z o zagen met den middag dan een [lage] berg de mond der visrivier

 

hiete dese plaats na de raad pensionaris bleiswyks valey

 

11 JANUARY 1778

11  weinig gedauwt mistige lugt nog w n w [sterke] wind die het weer helder en alleraangenaamst maakte. gaf enige presenten aan de caffers en hunne wyven en kinderen, die my in overvloed melk hadden gebragt, en vertrok na de mond der rivier, eerst liepen al de caffers me dog naderhand seven die by my bleven, na twe uren o z o aangereden te hebben quamen wy by duinen iets hoger als de hollandse duinen, dog niet breed met dikke bossen beset, waarin vele buffels en ook oliphanten syn, sogt te vergeefs een pad voor de wagen, waarna regt na de rivier reed, daar een opening van boven de duinen gesien had, dog hier was het weer so bossig dat de wagen er niet door kon en by de rivier hoge steile sandbanken opgewaayt. passeerde seer digt voorby twe buffels, die niet sag, staande in een bos, toen gepasseert was, liepen zy uit en myn hottentot schoot er na, dog miste en zy liepen weg. spande hier uit en ging met de caffers, en myn hottentot na het strand een klein half quartier van hier, de rivier was hier 80 a 100 treden breed en liep door bossige heuvels, dat een fraay gesigt gaf een [zand] bank was by de mond, daar de buffels overlopen en swemmen. in dese rivier houden hippopotamussen dog niet by de see schuwende sout water. vond het strand vlak en zandig. zonder rotsen, en weinig branding zynde de wind half strands dog geen baay. het strand strekte so ver zien kon o:t n: en w: half z: aan de linker oever van de rivier was tot in zee de een rotsige duin dog een half uur, westwaads was het strand vlak en schoon waarna men weer aan rotsige duin kwam, vond gene fraye schelpen of amber. de barometer gaf 29 - 6 kon met myn zeeoctand uit gebrek van horisont niet [regt] klaar raken, kreeg 77 G - 30 m. de caffers verwonderden zig over al dit, en dat myn vingers van de kwik niet nat wierden liet hun door een donker glas na de son kyken waarover zy zeer verbaast waren. nam de gesigten van dese plaats

 

en vertrok na de wagen, daar een grote trop [andere] caffers met bossen assagaayen in de hand vond, trackteerde myne ses met een stuk vlees, en gaf hun een soopje daar zy maar even van proefden en dan enen der anderen uitlagten over de gesigten die zy trokken als zy er van proefden. de gehele troep volgde weer terug. de andere caffers waren soldaten van titi en van over de rivier

niet langs strands, so als voornemens was, na de sondags rivier kunnende ryden, keerde ik te rug en also de cours w n w voor het meeste was, was dit niet veel om, nam afscheid van mynen vriendelyke caffers, en spande een uur son by eene valey uit, die drie uren van die caffers af was. hiete dese valey douglas valey na de coll: douglas, wilde na de rivier gaan om een zekoei te schieten, dog vond het bos te digt [zynde by de rivier alles laag bos,] en vol oliphants, buffels en rhinoster paden, zo dat met den donker konden verdwalen zag hier een haas, de eerste in dit veld ook vele hartebeesten van daag.

[in den morgen quamen drie hyaenas digt by onse plaats maar vertrokken op een schoot.]

 

12 JANUARY 1778

12  vertrokken vroeg byna onse vorige weg, passeerde grote troppen caffers met bossen assagaayen, van Capitein magolli of magorri, (in margine: nog w:n:w: wind schoon weer) Confonderende dit volk veel de r met de l zy bedelden stout waarom hen niets gaf tonende hun dat niet bang voor hun was, zei hun te rug te gaan dat sy eindelyk, by een laagte deden. onse cours ging tot vier uur van ruiter w n w, daarna met een kleine draay n:t:w: quamen door een caffers dorp van captein conga daar my onse gids van ruiter zeide, na dat zeer vriendelyk door de andere caffers melk gegeven was, waar voor hun cralen gaf.) dat een hunner zyn schild gegrepen had en na de wagen wilde lopen om met my te vegten en alles aftenemen, dog dat de anderen hem gekeerd hadden, lagte er om en sey hem, de caffer te seggen dat daar niet kwam om hun enige hinder te doen dog als hy my in het minste molesteerde, dat hy dan zulks niet ligt weer beginnen sou. vervorderden onse reis, en quamen met sons ondergank by ruiter. de hyaena quam weer digt by, had een lange conferentie met ruiter

 

ruiters hottentots naam is toena, de caffers hieten hem coosjoe

 

13 JANUARY 1778

13  schoon weer dog warm, ooste: weinig wind. die door den dag west wierd. gepasseerde nagt weinig dauw, kreeg bezoek van vele caffers van de welke een schild en assagaay ruilde. hier zyn vele hier sogenaamde wilde kalkoenen, een vogel de helft groter als een houtsnep, deselve formaat van bek en kop, ook veel het lyf, is swart, met het mannetje een roodagtig voorhooft het wyfje dat ik schoot was grys op het voorhooft. de bek is ook rood. na hier gebleven te zyn tot vier uren in den agter middag vertrok ik n n w aan, om by het wagen pad na sondagsrivier te komen. by ruiters kraal legt een kleine kraal, van enen hottentot trompetter genaamt, die met twe caffers my een stuk weegs convoyeerde. dese Gounacas of Gounaqua hottentots syn groter als de andere hottentots, sy zyn ook byna versmolten en onder de caffers vermengt; eer ik vertrok seide ik de caffers dat onse grote captein wilde dat sy over bosjemansrivier bleven en wy aan dese syde. sy waaren hier over verwondert en niet wel te vreden, vragende wat voor quaad sy dan gedaan hadden. passeerde na anderhalf uur rydens een de eerste vee plaats van ene routenbag, waarop een europeaanse knegt, die aan alles gebrek had. de maan opkomende verkoos ik in de koelte te ryden. trokken met een halve maan van het n n w tot het w:t:n: passeerden na drie uuren rydens de vee plaats van enen cok waarop enige hottentotten, kregen de hoge ruggens digter aan onse regterhand, en digt laag boscasie, van doorn, en andere struiken. uit dese hoge ruggens loopt een riviertje dat meest droog is cournou geheten synde smalle doorn rivier dat w: langs de ruggens omtrent ses uren dan z o in de sondagsrivier loopt. bleven het zelve [meest] langs den linker oever houden passeerden het twe a driemaalen, quamen na een uur door dit kreupelbos gereden te hebben op een vlakte, waar twe grote troppen buffels zagen, en drie die alleen weiden, kwetsten er een swaar in de borst, hy liep nogthans in een bosje, zo dat wy hem in den nagt niet dorsten vervolgen. na een groot uur rydens, spanden wy by dese rivier, die hier liep uit aan de plaats, aas cou, of geel hout doornboom. het donderde desen avond heel ver in het noorden, zagen ook in den avond enige weerligt, dog wy kregen niets, van routenbags plaats een paar uren zynde, kreegen wy een half uur sandweg, zodat onse wagen voor het eerst binnenlands met de wielen onder sand kwam. onse coeurs seven uren met een draay van het n n w tot west. meest harde witte gryse klei grasgrond met krepelbos heuvelagtig land.

 

14 JANUARY 1778

14  schoon weer weinig dauw de wind was na het zuiden gelopen, warm in den morgen. hoorden in den nagt vele bavianen schrewen, de hottentotten seiden dat de tyger ze plaagden. vervolgden onse cours door het z w:z: en ook z:o: met vele draayen en heuvels ook veel kreupelbos. dit riviertje passerende daar het z:o: draayt sprong een dier op en liep door de struiken digt voor my uit kon maar twe reisen sien, dat het een leeuw was, na een groot uur z aan gereden te hebben hielden wy aan zondags rivier halte. die hier z:o: in de grote inham van swartkops rivier loopt, daar de laatste companies bake staat, dese rivier was omtrent dertig treden breed en tot de

 

buik van het paard diep. in dese streek na de zeekant houden vele buffels, enige leeuwen en oliphanten, kregen hier wat melk van een kleine kraal hottentots die enen [boer] ferreiras vee oppasten ook lag een kleine kraal iets verder. van de geelhoute boom tot zondags rivier (die de hottentotten ghoag ghou a of moeras kleirivier hieten is drie uren

na den middag trokken z: en z z w ook z w met vele draayen en kwaamen een uur na zons ondergank aan kleine riviertje de Cougha zynde grond rivier. van sondags rivier tot hier hebben meest een ongemakkelyk pad met vele kalk klippen, en keien en vele dallen, het terrein swaare [wit] gryse klei gebroken velt [met gravel keitjes.] met vele hier en daar als parterres van differente struiken, met euphorbiaas en aloees doormengt, dat een allerschoonst gesigt geeft, zynde al de heuvels groen begroeid. peilden dese morgen het hoog gebergte z punt w half zuid, dat aan dese zyde gamtousrivier legt na gissing 16 uren. kwamen omtrent vyf uren op een grote vlakte van de welke wy de zee konden zien

by de Cougha vond de veeplaats van ferreira door een knegt bewoond. onse gecoppeld cours z t w 1/2 w. seven uren. de wind fris z:o: door den dag meest betrokken lugt zagen, een uur voor zons onderg: de grote inham van de swartkops rivier. zagen enige hartebeesten en schoot enige eend vogels. onse proviant was op.

 

15 JANUARY 1778

15  seer schoon weer niet gedaawt. z:o: fris. reed z o: aan door swaar kreupel bos na coughaas mond, die midden in den groten inham tegen over drie klippige hoge eilantjes, als sy loopt in see loopt, dog dit is eens in seven a agt jaaren, een deser klippen, legt een klein uur een ander twe, en een, dat klein scheen, drie a vier uur van den oever. het strand was sandig en vlak, dog de branding was sterk de wind fris z:o: peilde het oostelyke land so ver sien konde, makende de z:o: den horisont dynsig, in het oost, en het westelyke dat seer laag afschoot so ver sien kon in het zuiden, ging regts en links langs strand en vond gene klippen als enige weinige die met het zand egaal waren. ook weinig schulpen, en gene fraajen. daar de cougha opgestopt was willende passeren sakte het paard in het kwelsand, so dat moeiten had om door te komen. by dese mond vond twe versche leewe sporen, en vele versche rhinoster sporen, zynde de twe sporen over het kruis altyd in een getrapt. een spoor was 8 duim lang. hier houden ook vele buffels, synde het kreupelbos in en agter de duinen so lang en iets langer als man en paard, dog so digt van doorns aloes en euphorbiaas dat men er niet als door de wiltpaden door kan komen. ging om een rhinoster op te zoeken dog kon geen vinden. zag vele watervogels, waaronder veel flamingoos.

het water is schaars en seer brak in dese gehele streek, de Cougha word in de de droge tyd brak, uitgenomen een fontein digt by de wagen drift. quam met sons ondergank langs een natuurlyke soutpan, die weinig sout enige jaren geeft, digt by den laage berg met twe kopjes de enigsten die hier digt by zyn, by de wagen terug, zynde het desen dag in de duinen seer heet geweest, zagen een grote trop Coaggaas, daar een van kwetste en ses elanden, daar een van een sware schoot kreeg, dog in het digte kreupelbos ontquam.