| Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] |
10
van nagt nu en dan geregent niets ontwaard, met den dag de wind door het
noorden w:n:w, met opklarende lugt frisse wind, hoorde de zee rasen, zo dat denk
dat het gestormd heeft. trok, omtrent agt uren oost z:o: op nog al over
hetselfde hoge ruggig terrein met draayen het wierd allerschoonst weer met
deselfde wind met de middag waaren de hoogtens gepasseert, en trokken door
langsaam rysende en dalende schone grasvelden hetzelfde terrein als gisteren,
geen ene klip en in de laagtens regenwater valeyen, waar in [veel] eenden en
talingen. op de regterhand strekten die hoge ruggen die meer bossig wierden, op
de distantie van een groot uur, sig tot de duinen. passeerden vele caffers
cralen, en vele troppen vee en vermaakte my seer met deselven, zy dansten en
songen al met de wagen melopende, in den agtermiddag, zagen wy een grote kraal
of dorp, en het quam swart van
caffers na my
toe lopen sy vroegen my om stil te houden dat hun capitein aankwam, het gene ik
deed, wat daar na quamen twe oude gryse mannen, met een grote trop mannen
vrouwen en kinders, sy omcingelden my van alle kanten, het waren de twe capteins
titi en tsaka, de eerste de broers [zoon] van oude paro, gaf hun wat tabak sy
vroegen waar van daan quam, en om yser sey dat ver uit het land quam en geen
yser had, tsaka die hottentots sprak vroeg om een geschenk dat seide hy groot
volk altoos deed als sy by malkander kwamen, gaf ieder captein een bosje kralen,
en het volk kleine stukjes tabac, sy stuurden om melk, dog seide dat de son laag
wierd en dat haast had, sy vroegen weer om myn hond. dog dit weigerende liepen
sy nog wat me, en keerden toen na hun dorp vervolgden, vervolgden deselfde
coers, quetsten een hartebeest en schoot enige eendvogels, arriveerden met sons
ondergank by een dorp caffers. de welke in het begin bang voor my waaren, dog by
hen gaande en hun tabac gevende vond hen de vrolikste beste menschen van de
wareld
sy toonden my
hunne tuinen gaven my melk, en bedelden met veel moderatie. sag hun hunne
beesten melken, die seer mak syn, sy praten er eerst tegen als of iemant sonder
attentie een gebed rabbelde, dan fluitende, bonden nog tans de agterbenen vast.
en melkten dus de man al pratende. ruilde van dese man poemla genaamt een mantje
en calabas. en ging na nog met maneschyn door hunne hutten hun singen gehoord te
hebben, na de tent terug geconvoyeerd van vier caffers, dewelke na gerookt te
hebben naar hun dorp gingen. dit waren soldaten of volk van capt: umsella die
over de rivier lag.
(in margine: a
12 uren o t n van ons) na een uur in de tent geweest te zyn quam nog een caffer
myn een mande melk brengen. myn paard was weggelopen na het caffers dorp. en sy
bragten het opstaande voet terug. de hyaena quam digt by ons huilen cours en
verheid van daag agt a negen uren o z o zagen met den middag dan een [lage] berg
de mond der visrivier
hiete dese
plaats na de raad pensionaris bleiswyks valey
11
weinig gedauwt mistige lugt nog w n w [sterke] wind die het weer helder
en alleraangenaamst maakte. gaf enige presenten aan de caffers en hunne wyven en
kinderen, die my in overvloed melk hadden gebragt, en vertrok na de mond der
rivier, eerst liepen al de caffers me dog naderhand seven die by my bleven, na
twe uren o z o aangereden te hebben quamen wy by duinen iets hoger als de
hollandse duinen, dog niet breed met dikke bossen beset, waarin vele buffels en
ook oliphanten syn, sogt te vergeefs een pad voor de wagen, waarna regt na de
rivier reed, daar een opening van boven de duinen gesien had, dog hier was het
weer so bossig dat de wagen er niet door kon en by de rivier hoge steile
sandbanken opgewaayt. passeerde seer digt voorby twe buffels, die niet sag,
staande in een bos, toen gepasseert was, liepen zy uit en myn hottentot schoot
er na, dog miste en zy liepen weg. spande hier uit en ging met de caffers, en
myn hottentot na het strand een klein half quartier van hier, de rivier was hier
80 a 100 treden breed en liep door bossige heuvels, dat een fraay gesigt gaf een
[zand] bank was by de mond, daar de buffels overlopen en swemmen. in dese rivier
houden hippopotamussen dog niet by de see schuwende sout water. vond het strand
vlak en zandig. zonder rotsen, en weinig branding zynde de wind half strands dog
geen baay. het strand strekte so ver zien kon o:t n: en w: half z: aan de linker
oever van de rivier was tot in zee de een rotsige duin dog een half uur,
westwaads was het strand vlak en schoon waarna men weer aan rotsige duin kwam,
vond gene fraye schelpen of amber. de barometer gaf 29 - 6 kon met myn zeeoctand
uit gebrek van horisont niet [regt] klaar raken, kreeg 77 G - 30 m. de caffers
verwonderden zig over al dit, en dat myn vingers van de kwik niet nat wierden
liet hun door een donker glas na de son kyken waarover zy zeer verbaast waren.
nam de gesigten van dese plaats
en vertrok na
de wagen, daar een grote trop [andere] caffers met bossen assagaayen in de hand
vond, trackteerde myne ses met een stuk vlees, en gaf hun een soopje daar zy
maar even van proefden en dan enen der anderen uitlagten over de gesigten die zy
trokken als zy er van proefden. de gehele troep volgde weer terug. de andere
caffers waren soldaten van titi en van over de rivier
niet langs
strands, so als voornemens was, na de sondags rivier kunnende ryden, keerde ik
te rug en also de cours w n w voor het meeste was, was dit niet veel om, nam
afscheid van mynen vriendelyke caffers, en spande een uur son by eene valey uit,
die drie uren van die caffers af was. hiete dese valey douglas valey na de coll:
douglas, wilde na de rivier gaan om een zekoei te schieten, dog vond het bos te
digt [zynde by de rivier alles laag bos,] en vol oliphants, buffels en rhinoster
paden, zo dat met den donker konden verdwalen zag hier een haas, de eerste in
dit veld ook vele hartebeesten van daag.
[in den morgen
quamen drie hyaenas digt by onse plaats maar vertrokken op een schoot.]
12
vertrokken vroeg byna onse vorige weg, passeerde grote troppen caffers
met bossen assagaayen, van Capitein magolli of magorri, (in margine: nog w:n:w:
wind schoon weer) Confonderende dit volk veel de r met de l zy bedelden stout
waarom hen niets gaf tonende hun dat niet bang voor hun was, zei hun te rug te
gaan dat sy eindelyk, by een laagte deden. onse cours ging tot vier uur van
ruiter w n w, daarna met een kleine draay n:t:w: quamen door een caffers dorp
van captein conga daar my onse gids van ruiter zeide, na dat zeer vriendelyk
door de andere caffers melk gegeven was, waar voor hun cralen gaf.) dat een
hunner zyn schild gegrepen had en na de wagen wilde lopen om met my te vegten en
alles aftenemen, dog dat de anderen hem gekeerd hadden, lagte er om en sey hem,
de caffer te seggen dat daar niet kwam om hun enige hinder te doen dog als hy my
in het minste molesteerde, dat hy dan zulks niet ligt weer beginnen sou.
vervorderden onse reis, en quamen met sons ondergank by ruiter. de hyaena quam
weer digt by, had een lange conferentie met ruiter
ruiters
hottentots naam is toena, de caffers hieten hem coosjoe
13
schoon weer dog warm, ooste: weinig wind. die door den dag west wierd.
gepasseerde nagt weinig dauw, kreeg bezoek van vele caffers van de welke een
schild en assagaay ruilde. hier zyn vele hier sogenaamde wilde kalkoenen, een
vogel de helft groter als een houtsnep, deselve formaat van bek en kop, ook veel
het lyf, is swart, met het mannetje een roodagtig voorhooft het wyfje dat ik
schoot was grys op het voorhooft. de bek is ook rood. na hier gebleven te zyn
tot vier uren in den agter middag vertrok ik n n w aan, om by het wagen pad na
sondagsrivier te komen. by ruiters kraal legt een kleine kraal, van enen
hottentot trompetter genaamt, die met twe caffers my een stuk weegs convoyeerde.
dese Gounacas of Gounaqua hottentots syn groter als de andere hottentots, sy zyn
ook byna versmolten en onder de caffers vermengt; eer ik vertrok seide ik de
caffers dat onse grote captein wilde dat sy over bosjemansrivier bleven en wy
aan dese syde. sy waaren hier over verwondert en niet wel te vreden, vragende
wat voor quaad sy dan gedaan hadden. passeerde na anderhalf uur rydens een de
eerste vee plaats van ene routenbag, waarop een europeaanse knegt, die aan alles
gebrek had. de maan opkomende verkoos ik in de koelte te ryden. trokken met een
halve maan van het n n w tot het w:t:n: passeerden na drie uuren rydens de vee
plaats van enen cok waarop enige hottentotten, kregen de hoge ruggens digter aan
onse regterhand, en digt laag boscasie, van doorn, en andere struiken. uit dese
hoge ruggens loopt een riviertje dat meest droog is cournou geheten synde smalle
doorn rivier dat w: langs de ruggens omtrent ses uren dan z o in de
sondagsrivier loopt. bleven het zelve [meest] langs den linker oever houden
passeerden het twe a driemaalen, quamen na een uur door dit kreupelbos gereden
te hebben op een vlakte, waar twe grote troppen buffels zagen, en drie die
alleen weiden, kwetsten er een swaar in de borst, hy liep nogthans in een bosje,
zo dat wy hem in den nagt niet dorsten vervolgen. na een groot uur rydens,
spanden wy by dese rivier, die hier liep uit aan de plaats, aas cou, of geel
hout doornboom. het donderde desen avond heel ver in het noorden, zagen ook in
den avond enige weerligt, dog wy kregen niets, van routenbags plaats een paar
uren zynde, kreegen wy een half uur sandweg, zodat onse wagen voor het eerst
binnenlands met de wielen onder sand kwam. onse coeurs seven uren met een draay
van het n n w tot west. meest harde witte gryse klei grasgrond met krepelbos
heuvelagtig land.
14
schoon weer weinig dauw de wind was na het zuiden gelopen, warm in den
morgen. hoorden in den nagt vele bavianen schrewen, de hottentotten seiden dat
de tyger ze plaagden. vervolgden onse cours door het z w:z: en ook z:o: met vele
draayen en heuvels ook veel kreupelbos. dit riviertje passerende daar het z:o:
draayt sprong een dier op en liep door de struiken digt voor my uit kon maar twe
reisen sien, dat het een leeuw was, na een groot uur z aan gereden te hebben
hielden wy aan zondags rivier halte. die hier z:o: in de grote inham van
swartkops rivier loopt, daar de laatste companies bake staat, dese rivier was
omtrent dertig treden breed en tot de
buik van het
paard diep. in dese streek na de zeekant houden vele buffels, enige leeuwen en
oliphanten, kregen hier wat melk van een kleine kraal hottentots die enen [boer]
ferreiras vee oppasten ook lag een kleine kraal iets verder. van de geelhoute
boom tot zondags rivier (die de hottentotten ghoag ghou a of moeras kleirivier
hieten is drie uren
na den middag
trokken z: en z z w ook z w met vele draayen en kwaamen een uur na zons
ondergank aan kleine riviertje de Cougha zynde grond rivier. van sondags rivier
tot hier hebben meest een ongemakkelyk pad met vele kalk klippen, en keien en
vele dallen, het terrein swaare [wit] gryse klei gebroken velt [met gravel
keitjes.] met vele hier en daar als parterres van differente struiken, met
euphorbiaas en aloees doormengt, dat een allerschoonst gesigt geeft, zynde al de
heuvels groen begroeid. peilden dese morgen het hoog gebergte z punt w half
zuid, dat aan dese zyde gamtousrivier legt na gissing 16 uren. kwamen omtrent
vyf uren op een grote vlakte van de welke wy de zee konden zien
by de Cougha
vond de veeplaats van ferreira door een knegt bewoond. onse gecoppeld cours z t
w 1/2 w. seven uren. de wind fris z:o: door den dag meest betrokken lugt zagen,
een uur voor zons onderg: de grote inham van de swartkops rivier. zagen enige
hartebeesten en schoot enige eend vogels. onse proviant was op.
15
seer schoon weer niet gedaawt. z:o: fris. reed z o: aan door swaar
kreupel bos na coughaas mond, die midden in den groten inham tegen over drie
klippige hoge eilantjes, als sy loopt in see loopt, dog dit is eens in seven a
agt jaaren, een deser klippen, legt een klein uur een ander twe, en een, dat
klein scheen, drie a vier uur van den oever. het strand was sandig en vlak, dog
de branding was sterk de wind fris z:o: peilde het oostelyke land so ver sien
konde, makende de z:o: den horisont dynsig, in het oost, en het westelyke dat
seer laag afschoot so ver sien kon in het zuiden, ging regts en links langs
strand en vond gene klippen als enige weinige die met het zand egaal waren. ook
weinig schulpen, en gene fraajen. daar de cougha opgestopt was willende passeren
sakte het paard in het kwelsand, so dat moeiten had om door te komen. by dese
mond vond twe versche leewe sporen, en vele versche rhinoster sporen, zynde de
twe sporen over het kruis altyd in een getrapt. een spoor was 8 duim lang. hier
houden ook vele buffels, synde het kreupelbos in en agter de duinen so lang en
iets langer als man en paard, dog so digt van doorns aloes en euphorbiaas dat
men er niet als door de wiltpaden door kan komen. ging om een rhinoster op te
zoeken dog kon geen vinden. zag vele watervogels, waaronder veel flamingoos.
het water is
schaars en seer brak in dese gehele streek, de Cougha word in de de droge tyd
brak, uitgenomen een fontein digt by de wagen drift. quam met sons ondergank
langs een natuurlyke soutpan, die weinig sout enige jaren geeft, digt by den
laage berg met twe kopjes de enigsten die hier digt by zyn, by de wagen terug,
zynde het desen dag in de duinen seer heet geweest, zagen een grote trop
Coaggaas, daar een van kwetste en ses elanden, daar een van een sware schoot
kreeg, dog in het digte kreupelbos ontquam.