| Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] |
18
gepasseerde nagt mooy koel weer geen wolk aan de lugt heldere maan heeft
sterk gedauwt myn hond sprong drie vier maal op, en blafte sterk zo dat wy
denken dat er of wilden of beesten omtrent ons geweest zynde, hebben enige
reisen om onse slaap plaats gekuiert dog niets gesien. myne makkers zyn zeer
zorgeloos en slaperig, voor al de hottentotten.
met den dag
vertrokken noord aan mooy weer n o zagt windje, hete dese fontein tantalus
fontein, om dat door de steilte, paarden nog ossen konden drinken schoon er
[zeer goed] water in overvloed was.
zagen enige
springbokken waarvan er enen schoten, ook een groote trop noes met kalvers dog
konden er gene krygen, passeerden enige kuilen goed regenwater daar wy het vee
lieten drinken en [voor] ons medenamen., arriveerden een uur van het bamboes
gebergte daar wy een trop elanden aantroffen, van 20 met twe kalvers maakten er
jagt op, kwetsten vier dog kregen maar ene bleven hier by een kleine rivier die
nu niet liep dog grote kuilen goed water had, moeten zo als aan de opdrift zien
kon, sterk swellen met swaar weer, had steile oevers vol riet, hadden hier het
platte van de bamboes berg o:n:o: een uur van ons, tekende dese streek, de cours
is van daag ses uren noord, het terrein van het zelve, dog meest geheel grasveld
schoon niet so digt als het cafferland. ging om om de bamboes berg te peilen
vond de barometer 26 in de vlakte by de berg komende, vonden het te laat, en vol
krantsen, zo dat wy op enige etages aan de voet klommen
de berg is van
de selfde hoogte als agter princelo, of camdebos berg, zo dat de kwik er een
paar duim lager zal zyn tot aan de krantsen stond er gras en doornbomen, dog
anders niets dan klippen, zag er niets dat na riet of bamboes geleek in het
langs ryden, zag een grote trop hartebeesten dog kon er geen van krygen. quamen
met sons ondergank by de wagen daar wy een goede soep van oerebis vlees aten,
waarom dese rivier, die zuid aan met kuilen tot in de tarka strekt, de naam van
oerebis rivier gaf, toen wy hier om een uren arriveerden ging meintjes en ik
recognosceren, waar wy verder de wagen zouden door brengen of de rivier ook van
de bergen kwam die al aan onse regterhand leggen, door een poort tussen twe klip
heuvels rydende door digt groen riet, vonden wy dat de rivier nog regt noord af
kwam, zagen in het terug ryden iets dat in het riet een pad gemaakt had, konden
niets onderscheiden, een onser hottentotten wat na ons hier komende zag een
grote mannetjes leeuw, die met verscheide kleine leeuwen, hier passeerde.
trokken de wagen verder van het riet om niet besprongen te worden, dewyl ons
geselschap hem voor vast verwagteden also hy jongen had.
zagen een
rhinoster pad, en mist, veel lykende na den zeekoei mist. verdeelde de wagt en
maakten vuur, de dag is zeer schoon dog heet geweest met een klein n:o: windje,
de muschieten zo als in europa plagen ons, door de nabyheid van water en riet.
zagen wilde spoor dog geen menschen.
den 19
hebben niets vernomen, onse wagt is desen nagt alert geweest. de
langbenen hebben ons geplaagt, het heeft gedauwt met aangenaam koel weer, onse
geweren in de tent zeer vogtig. dezen morgen jankte een jakhals digt by ons in
het riet. en wy hoorden als het geschreew van menschen schoon weer frisse
noordewind vertrokken noord aan, het veld is hier heuvelagtiger als agter
sneeuwberg, schoon men altoos door meest langsaam rysende velden trekt zien
[overal] men zelfs den horisont in het n:w: [en westen] altoos op enige
distantie met [klip] heuvels gesloten, aan de regterhand ziet men de punt van
bamboes gebergte gepasseerd zynde, in het n t o weer een diergelyk gebergte dat,
alles na malkanderen gelykt ook van hoogte, en alles aan een schynt te zyn dog
geen regelmatige keten maakt, schoon de stratas alle horisontaal zoeken te zyn.
met punten en platten als van allerly soort. sagen twe bosverkens, enige
hartebeesten en elanden. de mieren hier, maken zeer veel spitse punten omtrent
een voet lang op hunne ronde hopen, dat nergens anders gesien heb. laten hier
drie soutpannen een grote dagreisens te paart na het zeggen der hottentotten in
het westen, agter sneeuwberg, daar de boeren hun zout halen, zynde alles fyn,
als het regenwater er maar agt dagen in staat, heeft men zout, passeerde dese
morgen ook een plaats, daar het zout uit de grond sloeg twe van ons na enige
caapse elanden gereden zynde, zagen een hond, die agter hun spoor liep klein met
spitse oren en die niet blafte, waar na zy een wilde hottentot in het riet zagen
zitten, zy riepen hem, en wilden hem tabak geven, dog hy bleef stuurs sitten
kyken wilde niet komen nog spreken
hy op de jagt
zynde, wilden zy niet risqueren een vergifte pyl, die hy ter eersten uit vrees
zou schieten, te krygen, en reden weg, het speet my seer, hem niet te hebben
kunnen krygen dog was op een heuvel om te peilen, en sy quamen niet voor de
middag by ons. spanden tegen over een spitse alleen staande berg uit, die de
toren van babel noemde, hy was van de hoogte der platte bamboes berg, zag hier
dat het blaauwe gebergte dat desen morgen sag een en deselve massa sonder
opening van dese bergen was, alleen een diepe halve cirkel wiens holte na het
n:w: siet, makende by dese toren van babel, ook omtrent so hoog. kregen met de
middag, een donderbuy van een half uur, met sware regen. vertrokken om een uur
verder noord en zagen in den avond, dat een tak van dit gebergte regt in onse
weg lag, west op schietende, dog lager en gebroken, zagen ook bergen op een
grote distantie in het westen. passeerden meest caro, ook gebroken en grasveld
het zelve terrein, enige water kuilen hebbende tot den middag oerebis rivier
nog op de
linkerhand die in het n o omtrent agter den toren van babel ontsprong. na
deselve gepasseert te hebben, wierd het veld slegter, zonder water, zo dat
bevreesd was geen water desen avond te krygen, reed met meintjes recognosceren
regt noord aan ook om te zien of wy door dit gebergte, alle regt noord aan
wilde, konden komen, vonden rykelyk regenwater, maakten een rook vuur voor een
signaal, en trokken in het lage gebergte, zagen hier vele jagt plaatsen ook dese
dag in het veld, van opgesette klippen, op 2 deselve plaatsen der wilden alles
van opgesette klippen, klommen op onse hoede zynde het gebergte op, en schoon
het voorkomt dat de passagie zeer onseker is, zullen wy het morgen ondernemen,
anders moeten wy west op.
retourneerden
nog voor sonnen ondergank, en vonden de wagen by het water dat als alle staande
of weinig lopende kuilen, beter van smaak als van uitsien is zynde ros en dik na
de couleur van de grond. hebben van daag agt uren noord gehaald, en vele noes
eenige elanden hartebeesten, bosverkens, patrysen en springbokken dog niet sulke
grote troppen als agter sneeuwberg; aan dit water, dat welgevonden hiete, waaren
van die grote padden, hoorden hun schrewen dog zagen hun niet. het weer was seer
goed en maar voor den donder een paar uuren heet, na het donder weer, woei de
wind tot s'nags fris noord west.
den 20
vervolg van het
Journaal van den reis van Captein Gordon in het zuider gedeelte van africa
beginnende 6 oct: 1777
den 20 december
mooy weer n w koele wind, die door het westen liep en s'avonds z: wierd
fris op wayende, op den middag heet.
gepasseerde
nagt niets vernomen; het heeft byna niet gedaawt.
in den morgen
kwamen er twe sogenaamde hartebeesten by onse water plaats. die ik welgevonden
hiete, drinken, wy schoten er een het agter been aan stukken, zo joegen hem na,
tot dat wy hem een half uur, van de plaats, in onse coers inhaalden, dit dier,
had ons met enen een pad voor de wagen gewesen. zo dat wy na hem toe reden, dit
gebergte in, het welken ik dwars in de weg hiete. terwyl ik besig was hem te
examineren, en te laten tekenen, zagen wy enige weinig wilden, van verre op een
ring lopen dog, zy gingen weder weg.
nam hier een
observatie met de barometer en kreeg 25 - 3 1/2 t op een vlakte met bergen
omringt, die niet zo hoog als de bamboes berg boven dese plaats waren, na enige
draajen dan n:t:w: en n door het gebergte gedaan te hebben, drie uren regte
distantie noord. quamen wy in een ruim groen dal, daar veel groen riet en gras
in stond, hier spanden wy uit dewyl de ossen door [de] rysende en klippige weg
niet weer voort wilden. vonden hier enige diepe en ovale kuilen staand water
moetende in regen tyd een tamelyke rivier formeren, proefden het water en vonden
het grondig, dog op een berg klimmende om te sien hoe wy verder souden
doorkomen, en om hout om wat te koken te zoeken zag ik by dese kuil een andere
die niet so groenagtig als de eerste geleek, dus wederkomende met een dragt
hout, van oude vergane bomen, zynde de bergen ook kaal, vond dat dat water zeer
versch en goed
noemde dese
plaats groenendaal, maakte een soep van springbokken en na ons ververst te
hebben trokken verder langs dese groene valey noordwaards op met enige draajen
tussen seer klippige kale heuvels reden na een uur rydens door een poort, tussen
twe klipheuvels, daar dese rivier of valey door loopt met swaar riet, noemde
dese plaats, [het] reuse metselwerk, also de klippen op dese heuvels, seer swaar
en groot, los op een gestapelt lagen in horisontale lagen, zo dat als sy niet zo
groot waren geweest, men zou gesegt hebben dat het menschen gedaan hadden.
trokken nog twe
uren noord door dese enge plaats, en arriveerden in een grote vlakte, wel drie
uren breed en vier lang dewelke [naderhand Sir Archibald Campbels] valey noemde
ook vol riet en gras, dog meest wreed suur gras so als dit hele land. spanden
hier uit, onse cours over het geheel noord vyf uren het gebergte beloofte ten
noorden eene passagie. het terrein als vorig dog gryser klei en alles gras, en
hier en daar vele klippen sagen springbokken en vele noes, verbeelden ons ene
rhinoster te zien, dog hy [?kle] weg, vonden vele seer lekkere wilde vijen.
den 21
gepasseerde nagt heeft de hond sterk geblaft, en de wagt seer slaperig
geweest, so dat de ronde doende hem twemaal een schrik op het lyf jaagde, niets
vernomen. het begon na middernagt met de maan sterk te dauwen, in den morgen
seer koud, met weinig wind
met sons opgang
koele westewind, seer schoon weer trokken noord aan de vlakke valey door, meest
langsaam rysende de bergen sig meer openende, en lager wordende aan onse
linkerhand en voor ons, sagen hier vele springbokken en troppen van twintig en
30 noes dog te wild om te schieten. reeden een hoogte op, daar de vlakke valey
eindigde, vond de barometer 24 d - 29 1/2 t dog de ene gaf 24 d - 21 t, er
scheen enige lugt in dese te zyn. trokken weer door ene smallere vlakte,
[dewelke naderhand lady Campbells vlakte noemde] sag een hoge rug voor ons die
niet veel goeds beloofde, reed voor uit om te recognosceren arriveerde op de
hoogte en sag een vlak afdrayend veld in het n o twe hoge so als de bamboes
bergen op tien a twaalf uren distantie verder in het westen en noorden was enige
heuvels dog anders [vlak] vaal gras veld, dog hier kon de wagen niet af om de
steilte en klippen, ging west dese hoogte langs, daar een poort vond die
passabel dog om de klippen moeyelyk om op te komen was. hier by vond ik een
versche legplaats van een wilde, die hier om wild te schieten op de loer gelegen
had. dog heb hem niet sien weg lopen. waarschouwden de wagen dewelke na wy enige
klippen uit de weg genomen hadden tog met moeite boven kwam, en gemakkelyk de
andere kant in de vlakte afreed. vond de barometer 24 d - 6 1/2 t
hier een grote
vlakte hebbende nam een brete met een octant en kreeg 30 Gr - 55 m zuider breete
dog [kon?] er niet seeker op gaan. Spanden uit een half uur noord van de poort,
die door durand de schep moed poort genoemd wierd aan een ryke fontein welkers
water so klaar koel en lekker was als ooit weet gedronken te hebben hiet dese
fontein na de Griffier fagel, fagels fontein
vertrokken na
ons verfrist te hebben, vonden dat dese vlakte vele diepe dallen had als de
droge graften van een grote fortificatie daar men rietfonteinen vond, en overal
seer klippig, onse cours raakte uit dien hoofde tot by de noordelykste der twe
bergen die hier in de vlakte lagen, en die ik castor en pollux noemde noord n
oost, also wy door die laagtens moesten ryden, spanden met sons ondergank by een
grote ovale kuil water wel tagtig treden lang en twintig breed, rondom met gras
en riet uit, hiete dese plaats na professor allamand allamands fontein. wy sagen
van daag in de bergen en de vlakte veel springbokken en noes, ook eniger
bontebokken, dog konden van de laatsten geen krygen, zag, later dat zy
veel bruinder
van couleur, als die by de rivier sonder end waaren, en mogelyk wel een ander
dier zagen ook patrysen quartels hasen en een Jakhals, en twe oerebis schoten
een noe, dog te ver van de wagen zynde sneden wy hem de beste stukken en vel af
en quamen na een half uur by de wagens, dewelke twe wilden met pyl en boog agter
de springbokken Jagende gesien hadden dog sy waaren agter een hoogte gelopen,
een onser [bastert] hottentotten joeg om een bontebok [dood] te schieten,
hebbende hem gequetst, toen hem zag ryden, liepen de twe wilden van agter de
hoogte en liepen op een kranstsige heuvel, na hem kykende, reed hem agter na, om
hem te waarschouwen, hy reed door, wenkte tegen de wilden, om by my te komen dog
zy liepen weg. het weer is seer schoon geweest met een frisse n:w: wind dog op
den middag by fagels fontein seer warm. ging by de allamands fontein op een
heuveltje sitten en passeerde er een aangenaam half uur tot de wagens quamen.
sag vele langstaartige en rode caapse vinken en eenden