Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26]

 

6 DECEMBER 1777

den 6  mooy weer zuide frisse wind, kregen met den morgen de caffers weer by ons. gaven hun weer enige snuisteryen en lieten hun om een prys naar een schape vel aan een paal op 60 treden met hunne assagaay gooyen het geene zy zeer slegt verrigten, hunne gooy strekt zig in het generaal zo verre dog enigen hunner gooyen tot 80 treden. hunne Captein Coba gooyde omtrent die distantie wel by en omtrent dog geen van allen trof het vel in vele gooyen. eindelyk gooyde eenen diensa, nog ver over de meet lopende, de paal. zy gooyden zelfs op 30 passen mis. sy maakten ook ene vertoning van hun jagt, dat in aan en terug lopen en springen en t gooyen van de assagaay bestond, waarna zy het dier doodt verbeeldende hun barbaars gesang in een ronde kring er om heen, aanheften. alles met een sware brommende stem, die zy meest hebben, en in hun zingen nog meer affecteren, zy houden een maat dog zonder [veel] melodie. zy formeerden weer hun dans conlocanjarti geheten, daar zy my weer by haalden en onder de armen naamen, hun ombe mackai begonden te zingen, en wy lustig op als de vorige dag de dans eindigden. waarna ik met hun na de craal van Godissa ging, dewelke dese dag niet gekomen was, om dat men coba het meest gegeven had. coba ging met my te voet leunende nu en dan op myn schouder, en ik op de zyne lerende my caffers. zyner twe jonge wyven liepen agter ons, toen wy by de kralen quamen, die in alles in 13 hutten van hout met riet en matjes even als een hottentots hut rond met een lage opening, [en] hier en daar stonden, nogtans zo, dat ieder familie het digst by een stonden, tussen de doornboomen, zy hadden vyf beesten kralen by hunne hutten even gemaakt als de hottentotten of boeren met doorntakken en posten in de ronte gelegt om het vee het uit lopen te beletten, (hebbende ieder familie zyn eigen vee.

zag een cafferin op een instrument spelen [net] als de madagascars hebben zynde een ronde riete of houte boog met een snaar gespannen waar aan een callebas

zy sloeg met een houtje op de snaar en maakte enige toonen. godissa niet te voorschyn komende vroeg ik na hem, eindelyk quam hy waarna te drinken vragende, bragten zy in een digt gevlogten van biesen mandtje, zure dikke melk, coba dronk eerst met een diergelyke gevlogte schepper, en leide de zelve in de melk en weers my, waar na [ik] dronk, dat zy eene subordinatie hebben bleek dat diensa daar ik veel werk van maakte, niet dorst te dienen dog versogt my om een lepel vol, dat hem gaf, godissa was serieus en liet my vragen waarom ik hem geroepen had

ik liet hem zeggen, dat in myn land het gebruik was

 

dat als men besogt was, men een tegenbesoek afleide waarna hy niet meer sprak. vertrok uit hun dorp na de visrivier, zynde het reeds laat zag enige hunner akkers, zynde kleine omgespitte tuinen daar zy pompoenen mielis tabak en dacha inplanten. enige hunner dogters en wyven liepen met eenige kleine jongens met ons mede, hebbende groot plaisier in onse paarden vooral die hard te zien lopen, (de caffers gebruiken ook ossen, om op te ryden en gebruiken die zelfs als zy omtrent 2 jaar zyn) arriveerden by de rivier; hebbende nog enige cafferinnen by ons die ik enige stukken tabac schonk waar na zy door enige tolken die by ons waren naar huis gejaagt wierden

[tegen den avond kout betrokken weer zuid oost wind]

 

7 DECEMBER 1777

7  enige stof regen mistige lugt met zuid oost, nam afscheid van de gecommitteerdens, die naar de zeekant vertrokken om zo weder na de caap te rug te keren, en ik om myn wagen te halen, die om de ossen wat te laten rusten vyf uren van hier gelaten had, om myne voorgenomen reise verder te vervolgen ging weder door het caffers dorp, en gaf enige tabak aan godisa en coba, zynde godissa nu beter te vreden, gaf aan coba twe stukken tabac voor twe zyner kraal die over de rivier legt dewelke ik hun gisteren belooft en vergeten had te geven,

zy waaren hier alle over verwondert, ook over myn twelopig geweer en pistolen. naar afscheid van hun genomen te hebben, reed weg en godissa en Coba liepen na enig vertoef nog weer na my toe, zo dat stil hiew, Coba riep Cabe Gordon Cabe, en godissa begreep ik dat nog enige schapen om te eten versogt, dog hem wysende dat niet meer had, zeiden zy dat de leeuw dien nagt daar in den omtrek drie ossen gedoodt had, waarna zy te rug keerden, ik zag ook kort daar na het spoor van een grote mannetjes leeuw, dog arriveerde zonder iets te zien op de plaats van willem prinselo tegen den agtermiddag.

 

8 DECEMBER 1777

8  sterke n w wind gepasseerde nagt enige regen, dog nu sonneschyn met bewolkte lugt, de honden hebben van nagt sterk geblaft en de beesten in de craal geschrikt, zo dat er wild gedierte by moet geweest zyn, maak alles vaardig om morgen te vertrekken.

 

9 DECEMBER 1777

9  konden nog niet vertrekken, ging naar het bos om louries en andere vogels te schieten, dog zy waren te wild, in dit bos is aanmerkelyk, dat de wilde wyngaat ape touw [hier] geheten, aan de toppen der hoogste bomen zit

 

en tot beneden in de grondt desselfs wortel zittende of liever hangende dus twe drie maal op en neer, als de touwen van een schip, kan nog niet begrypen hoe zy zo hoog komen of zy moeten met de boom opgroeien, zy zyn zommigen agt en tien duim circunferentie, so dat men er tegen op kan klimmen. keerde zonder enig beest te zien weder te rug. als de wilde druiven ryp zyn, dat in maart is tot augustus dan zyn de vogels makkelyk te schieten.

 

10 DECEMBER 1777

den 10  vertrok terug naar de visrvier, [iets z:w:] byna geen wind of wolk, zeer heet. ging wederom de caffers besoeken die my zeer vriendelyk ontfingen dog als altyd sterk bedelden

ging tegen den berg met Capitein Godissa en syn soon gona om hun gesaaij te zien dat sy hier en daar met plekken tussen de doornbomen ingesaayt hadden, hun graan dat nog klein stond en ik niet kende, pompoenen calebassen watermeloenen en erten vroeg waar zy hun tabac hadden zeiden nog geen gepoot te hebben, een meid paste op de plantagie. zag by de kraal komende Capitein Coba die nog by deze kraal zyn bezoek bleef houden, besig met twe a drie van zyn volk assagayen te smeden, hunne hamer was van yser en hun aambeeld een klip, een zyner soldaten had een ledere zak aan iedere hand aan wiers voorste eind een beeste hoorn opengemaakt was die staken beide in een pyp van een mierennest dus van kleie gemaakt die in het vuur lag, zo dat hy de zakken die by zyne handen open waren toedrukken het vuur sterker aanblies.

dronk van hunne zure melk en wy dansten fris op, waar na vertrok, dog een heele swerm caffers met de twe Capteins en enige wyven liepen me tot de visrivier. hier gingen zy om my zitten roken, en wy waaren zeer vrolyk, dog hun gedurig bedelen, verveeld op den duur.

terwyl wy daar zaten quam een kuiken dief gevlogen, kreeg schielyk myn snaphaan en schoot hem, dat zy zeer admireerden, vooral toen ik nog eens met de andere loop een kleinder vogel raakte. de slag van het geweer geviel hun niet, myn hottentot arriveerde met een fraaye blaauwe craan die ik desen middag by de kleine visrivier geschoten had, dezen versogt coba direct, na ze hem gegeven te hebben sneed hy er de vleugels af, die singulier zyn om dat derselver agterste veren als de lange staart des vogels uitmaken

hy hieuw ze aan zyn hooft, en maakte allerley vreemde kuren en posturen, zeggende dat hy ze in den oorlog wilde gebruiken. met zons ondergank keerden zy te rug; het is van daag zeer heet geweest, dog tegen den avond een frisse z:w:

 

probeerde de barometer op de vorige plaats by prinselo om tien uren s'morgens schoon weer z w zagte wind byna geen wolken kreeg 27 duim en 5 tienden

n b  hunne tuin [baart?] als men er na vraagt hun capt dog zy eten alle ervan.

hun schilt.

[tot de visrivier hier is de sweed hr sparman geweest met potgieter en is toen langs bosjesmans rivier. na de caap geweest de selfde weg ge? ]

 

11 DECEMBER 1777

den 11  betrokken lugt iets regen in den morgen, z w w

klaarde met de son op, de twe capiteins kwamen my weder besoeken, gaf hun ieder een hond en een schaap. Liet my afschilderen en gaf het aan coba liet hem en een zyner vrouwen afschilderen. zag hem desen morgen zyn handen met versche koemist wassen. nam afscheid van haar, en deedt een tour alleen te paard over de visrivier, zag nog enige troppen caffers, keerde voor den middag te rug passeerde de visrivier iets lager, het land daar door reed was heuvelagtig losse rosse kleigrond met gras en doorn bomen, de sneeuwbergen of liever het voortschietende gebergte vandaar neemt hier als een einde wordende van tyd tot tydt lager dog de visrivier, overzynde schieten de bergen agter verder oostwaards, ook een tak over de rivier zuid waards, dog niet hoog. vertrok noord oost aan, langs den regter oever der grote visrivier. by de caffers oebaa genaamt een uur van de plaats van erasmus, aan de rivier daar niemand te huis was, en alleen enige hottentottinnen om te melken, quamen wy door een opening in de bergen, in een kom, daar wy de visrivier grote bogen zagen maken, passeerden over ene lage berg, n:o: aan, en quamen aan de plaats daar wy enen esterhuisen het opzigt vonden hebben, horende de plaats aan enen prinsloo, reden by dese plaats door de rivier, waarna wy oostelyker aanreden, door heuvelagtige grasvelden, alles rosse en ordinaire kleigrond

 

zagen hier ene springbok en twe sogenaamde hartebeesten, ook voor het eerst een vogel lykende naar een leeuwerik die in de lugt bleef sweven en zingen dog niet zo aangenaam als onse europeaanse leewrik. arriveerden met sons ondergank aan de plaats van enen kruger, waaren nu drie uren van de conap, dese plaats is enen der fraaiste en romanesqste situaties die ooit gesien heb; tegen de bergen en in de cloven staan bossen van geel, stink, assagaay yser en andere houten, de velden zyn groen van gras en doornbomen [dog weinig bloemen.]

onse cours gecoppelt is vandaag o:n:o: vier uren regte linie geweest, dog hebben wel zes door draajen gemaakt.

de wind wierd in den agtermiddag zuid oost styf met regenvlagen, kout weer vandaag, nogtans wierden wy zeer geplaagt door de vliegen die met grote swermen als wy by een [beeste] kraal quamen op my vlogen, en mede bleven vliegen. myn wagen moet by de zogenaamde koks craal aan de overzyde der visrivier komen en daar na my wagten zynde ik te paart tot hier gereden.

 

12 DECEMBER 1777

12.  nevelagtig weer, met vogt uit den z:o: reed met den dag oostwaards langs het gebergte, passeerde na een uur rydens vier caffers capiteins, met hunne cralen, coba die op een hoogte lag, deca wat na beneden, babera verder en eindelyk serambane die aan het riviertje agha lei, wilde hen in het te rug passeren bezoeken, om niet te veel geplaagt te worden reed ik met hannes de beer alleen zynde in een galop door, zagen swermen met caffers mannen vrouwen en kinders ook zeer veel vee welkers hoornen zy op allerley wyse fatsoeneren ook hun vel aan het hooft. zag enen op een kleine os in het velt ryden. ook een doods hooft, dewyl zy hunne doden in het velt slepen en met wat gras bedekken, alleen bedekken hun capitein in syn hut dese begravenis moet met vee betaald worden. zagen zeer vele hutten beeste cralen en hun plantasies. sy liepen ons met troppen na en rondom, ook vele honden, schrewende cabe tabeca. zynde wit en rood in het wesen geschildert. alle hunne assagaayen in de hand, zy maakten schielyk ruimbaan, wees hun dat weder zou komen

 

en waren vrolyk de paarden hard te zien lopen fluitende en schreewende, reden oost: ten z: nog een groot uur waarna wy een lage berg omgereden zynde de twe laatste plaatsen vonden van enen durand en van aart, hebbende de bosjesmans gepasseerde nagt hun 27 beesten ontnomen dese plaatsen leggen aan een spruit van de coenap alle deze bergen zyn aan dese zyde met sware bossen van de voornoemde houten digt begroeyt en in de vlakte en laagtens doornbomen weinig bloemen en lang gras graauwe en rosse kleigrond op de hoogtens klippen, reden o ten z twe uren sterk aan al grasig heuvelagtig velt, zagen de coenap in drie takken noord van ons uit de bergen komen op de distantie van twe uren, en zeer krom draayen reden z:o: een uur, waarna wy aan de coenap kwamen, deze rivier liep smal over klipbanken en was van de grote hier omtrent 30 treden breed, en ook diep smal lopende als de grote visrivier, passeerde de koenap, te voet leidende het paart de klippen waren so glad dat de beers paart met hem omverviel, dog het water kwam hier niet tot aan de knien. reden over een heuvel en op een hoogte sagen ten z van ons, op drie uren distantie de plaats daar swellengrebel weerom gekeert was, zynde er nu geen caffers meer daar, hy was niet by de oude mahotti maar by een zoon van hem geweest, door de boeren om syn spraak hees genaamt

onse Gecoppelde cours tot hier is o t z geweest, omtrent 6 uren. al het zelfde terrein zagen eenige hartebeesten, schoten by de Coenap een het agter been af dog kregen hem niet. ook vele paauwen en enige spring bokken. repasseerden de coenap en reden west aan door het velt zagen veel caffers vee en arriveerde een uur voor zons ondergank by de caffers daar wy met hele swermen beset wierden reden na coba daar wy vriendelyk onthaald wierden, hy toonden my alles in zyn hut wy schoten smeten met de assagaay dansen

 

verwonderende zig met een schrik over het schieten schoon zy het versogten om het wilt gedierte te verjagen vertrokken met den donker en quamen laat by kruger. dese hele dag betrokken koel weer z:o: z en in den avond weinig wind.