| Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] |
30
kreeg myne barometers, wagte na myn hotten ten die met de ossewagen niet
konden volgen. schoon weer dog warm, byna geen wind. het gene er was z w: hier
waren minder vliegen. in den avond deden wy vele schoten om de zoon van den land
meter die afgedwaald was te regt te helpen, zonden ook hottentotten uit dog
vernamen hem niet. om twaalf uren des nags arriveerden myne hottentotten met de
wagens.
I
DECEMBER 1777
1sten december
gepasseerde nagt een weinig dauw, schoon weer, sliep nu zonder tent
buiten, zeer heet dese dag weinig westlyke wind, in den morgen bragt een boer de
verdwaalde jongeling te rug, dewelke in den nagt by een hottentots veewagter
gekomen was, die elkander niet kunnende verstaan, bang voor malkander, zamen een
zeer quaden nagt passeerden. vingen in dat kleine riviertje twe mandens met vis,
door een trekzegen, twederly soort lykende iets na een grote harder en de andere
door de boeren een carp geheten iets na een klipvis dog had schubben. was weke
vis. dog smaakte goed, ook waren er tamelyk grote krabben in. in den agtermiddag
om vier uren kregen wy een donderbuy met enige regen uit den noord ten westen.
dog was hoog. komende
d
beschryving van
de oeribi
hoogte van voren 23
d
van agteren
25
lengte van de
kop 7
van de oren
4 1/2
lengte van snuit tot staart 41-1/4
heeft een
kleine galblaas
van de nek 9-
als een knikker
omtrek van de nek
7-1/2
lengte van de staart 4-1/2
had twe platte
hairige lellen
had langwerpige larmiers,
agter zyn
tepels die balsamiek
[twe duim] lang hairige
roken
borstels voor ieder voor-
been een
duim onder de knie
was rood swarte staart wit
onder de buik en borst
swarte streep tussen de oren
swarte neus witte strepen
voor de ogen boven de
larmiers ook aan de snuit. en
onder
de keel.
beschryving van
een onbekend dier dat tussen een kwaggha en wiltpaard in is.
en zig onder
een trop zogenaamde elanden ophield.
over de bergen
duurde een paar uren, schietende toen de wind in het zuid oosten, na gewoonte
brengende eenige regen te rug
s'avonds en
s'nagts zeer schoon koel weer.
[de honden
hebben den gepasserden nagt furieus by my geblaft zo dat enig wild gedierte by
ons moet geweest zyn]
2
koele z o wind schoon weer, was besig om met de barometer proeven te
doen, en de onbekende zebra, dewelke al voor enige maanden omgesworven had in en
agter dese bergen, en den 29 door eenen adriaan van Jaarsveld geschoten was, te
laten tekenen en examineren. kreegen donderweer na den middag, eerst uit den
noorden en noordwesten komende een andere buy uit den z:o: die tegen elkanderen
aantrokken, en uit den zuid oosten een sware regenbuy met wind voortbragt,
continuerende die wind met regen vlagen den ganschen nagt, iets bedaart met den
morgen.
3
sware regen lugt s'morgens nog uit den z:o:, begon omtrent agt uren weder
sterk te regenen, vertrok zuid en zuid oost en oost aan, tot op de plaats van
enen prinslo, hebbende het bos gebergte ten noorden digt aan de voet. (in
margine: zag een hottentots spel dat veel naar ons bikkelen geleek) de cours
vandaag is gecoppelt o:z:o: geweest distantie drie uren. passeerde de kleine
visrivier een uur z oost van potgieter. daar na nog twe maal een half uur
distantie tussen beiden, ook een rivier die uit het bos komt en zuidelyk in dese
visrivier loopt, in hottentots goer. dese plaats van princelo is een der
fraaiste terreinen [situatien] die hier gesien heb, de bossen hebben zeer hoge
boomen voornamentlyk geel en stink en assagaay hout, leggen alle aan de zuid
zyde in de cloven en tegen dese bergen, zodat het moeyelyk is om se te
transporteren. het terrein vandaag is alles nog gele en rosse klei, hier en daar
met vele klippen dog geen vlak land maar zeer heuvelagtig vol gras en
doornbomen, en rykelyk bewaterd.
4
zeer goed weer heldere lugt s'morgens met een koele zuid ooste wind. ging
de hoogte op na het bos daar aan de voet en in de vlakte vol doornbomen vond,
dog zo als hoger quam, allerfraayste bomen van voornoemde soorten, mat er een
die vier ellen onder om de stam had en omtrent vyftig voeten regte en gladde
stam had als een denne boom, desen hieten zy hier geelhout, dit word tot huis
bouwen en meubels gebruikt; hier houden zig apen als in het houteniquas bos, ook
van die groene bos duiven, hier loeris genaamt, ook (zo men my zeide hebbende
cromme bekken groene papagaayen) en meer andere fraaye vogels), dog konde
[regte] er geen te zien krygen ook houden hier buffels, zag niets als twe dieren
die na rebokken leken, keerde tegen den middag na de plaats van prinselo te rug,
zynde de weg in het bos, zeer fatiguant geweest, zynde steil en vol doorns. dit
gehele gebergte is een en deselve berg met de sneeuwbergen
op de plaats
van potgieter
duimens/tiendens
de twe tubi
gaven ieder
27 - 7-1/2 om elf s'morgens
de derde was
half uitgelopen en brak in het herstellen
het weer was
allerschoonst met een koele zuid oost, en niet als drie of vier kleine wolkjes
aan den horisont te zien.
den 3
stond op de plaats van prinslo de barometer op 27 d: - 5 1/2 t:
het weer
bedaard zynde om ses uren s'agtermiddags
den 4
klom in den agtermiddag op het gebergte agter prinslo, probeerde eerst om
twe uren de barometers, die weder als gisteren 27 d - 5 1/2 t gaven, het weer
helder z:o: zagt.
op de berg
dewelke in anderhalf uur, met moeite beklom, hier gaven beide barometers om vyf
uren met helder weer 25 d: en eene tiende, zagen twe buffels in het opklimmen en
enige elanden van verre de berg boven op was gras met vele exerantimums [hier te
lande seven jaars bloemen genaamt]
in den avond
kwam met sons ondergang weer te rug wanneer drie caffers vond die ons al
singende en dansende alles afbedelden, dit was schoon groot volk met een vrye
vrolyke phisionomie. hunne capitein hieten godissa
den 5
schoon weer met frisse noorde wind. vertrok o z o op, daar na oost,
quamen op de plaats van enen teunis botha, daar wy drie caffer capiteins met
enigen van hun volk vonden, Coba babera en godissa, dese plaats legt een uur van
de grote visrivier, dewelke syn oorsprong aan de oostzyde, der rode bergen, een
tak der sneeuwbergen, neemt
de caffers
schenen vriendelyk en vrolyk, zy leerden my verscheidene hunner woorden, en
waaren seer sneeg. zy noemden myn naam duidelyk en zy schenen veel werk van my
te maken. de drie die met ons van prinselo gingen, liepen een tyd lang agter myn
paardt, ik zong ener hunner goroe genaamt een hoogduits lied voor, waar van hy
de melodie ieder regel byna volkomen nazong. een hunner diensa genaamt, toen wy
van teunis botha na de visrivier vertrokken plaagde my om op myn paart te
zitten, het welk ik op het laatst toestond en hem te paart hielp, hy galopeerde
fris weg vooruit na de visrevier daar de wagens na toe gegaan waren, en liet my
met omtrent dertig caffers hem
na marcheren,
zynde het zeer heet. dit is het vryste vrolikste bedelagtigste volk dat ooit
gesien heb, dog niet diefagtig in het geheel hunne taal vloeibaar zynde
byna geen
moeyelyke woorden om uittespreken hebbende, spreken zy zeer rad en met een sware
mannelyke stem. [meest met een sterke aandrang op de op een na laatste syllabe
van het woord dien sy meest lang uithalen]
arriveerde op
den middag aan de [grote] visrivier, die men op dese plaats byna droogsvoets
door kan gaan, dog grote zeekoe gaten had, daar zig nog enigen dier dieren in
ophouden, dese rivier had ook als de kleine een snelle helling en word zeer
breed en inpassabel in sware regens. gingen met de regen vissen dog de klippen
hinderden het net om de trek te doen.
zat midden
onder de Caffers by hun Capiteinen zynde de grootste Coba, die een man [was] van
omtrent 35 sJaaren, grof en welgemaakt, met een regt martiaal gesigt, hy leerde
my verscheide woorden, en hunne namen dewelke opschreef, waarna ik se repeteerde
daar zy zig zeer over verwonderden de vinger in den mond stekende en daar na
hartelyk lagten, een hunner quam daarna met nog enigen en noemde my de naamen,
ook van enige hunner vrouwen en meiden, dewelke ik opgeschreven hebbende nam het
papier en doende als of hy las, repeteerde hy enige hunner namen na gissing.
daar de anderen braaf om lagten. vereerde ieder capitein een vette hamel, ook
kregen zy van de gecommitteerdens eenige tabak en presenten, en Coba een
granadiers muts. sy slagten de schapen met se de keel af te snyden en begonnen
een dans, die zeer wonderlyk was en verscheide veranderingen had, zy formeerden
een pelotten van 5 gelederen 6 a 7 in een gelit, dog de twe voorsten gelederen
hadden het gesigt na de twe anderen of regtsom keert gemaakt, zy bleven meest al
zingende op de tenen staan, en beweegden hunne lighamen, door op de teenen sterk
te balonneeren, schuddende hunne hoofden met rukken ene zong de woorden en
dirigeerde de musiek, de anderen bromden meest zomtyds den asem sterk uit de
borst ophalende, dan sprongen zy allen gelyk op de maat van de grond, dan de
gelederen iets van een dan aansluitende, zy hielden zig meest gesloten en
gearmt, hunne stokken omhoog op en neer stotende, dan gingen enige vrouwen en
ook mans wanneer de dans (alles met mans) wat geduurdt had al klappende rondom
de anderen, en maakten een slinger of grote 8 weeromdrajende, ook liepen enige
zomwylen uit het pelonton en maakten allerley bewegingen waarna sy weder keerden
en met den grootsten iever begonnen te dansen, het was raar om enigen onder hun
zingen en dansen te horen fluiten, dat sy tussen de tanden seer hard doen als de
slag van een vink [danste met hun dat hun wel geviel] enige hunner wyven dansten
en zongen me, buiten aan de vleugels van het pelotten, en maakten een aangenaame
melodie met de maat van een contredans. na dat hun het sweet aan alle zyden
uitgebroken was en enen de neus bloede, scheiden zy uit, en gingen naar ons Cabe
of goeden dag gewenst te hebben naar hunne kraal, die hier een half uur noord
van daan legt. dog Cobas kraal legt een uur noord oost over de rivier hy bleef
met de anderen. onse Coers is vandaag oost z o geweest vier uren, alles gras
velt met doorn bomen, vol gele kleigrondt. zeer warm schoon weer noordelyke
wind.
Colesi hiet de
gedode caffer de oppasser van het vee.
by de ei waka hiet de captein
beschryving van de caffers