Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26]

 

23 NOVEMBER 1777

den 23  hebben het van nagt zeer kout gehad met een z:o: [frisse] wind die aanhoud de honden zyn zeer inquiet geweest

dog hebben niets vernomen, als het geluid van een [oude] coagga, dat na het blaffen van verre van een kleine hond geleek. het voornoem rode gebergte schiet hier met heuvels uit de schuilhoek genaamt aan wiens west zyde een kleine rivier loopt, waarin de voornoemde fontein loopt, dit riviertje hieten de Jagers [mede] na myn naam; na dat de Jonge coagga uitgetekent was, de paarden naar het water gegaan zynde, liep hy het velt in weg. vertrokken z w t z aan en kwamen in onse weg die wy gekomen waren, dog reden nu veel in de rigte, zagen veel noes. enige spring en bonte bokken schoten twe springbokken, in een schoot dog kregen maar ene. wierden veel door de zogenaamde blinde vliegen geplaagt. quamen heel uitgehongert by een lekker ryke fontein die ik princes wilhelmina fontein noemden, daar wy onse springbok met een stuk zeekoey spek opaten, zonder een stuknatelaten, waarna wy voortrokken tot de zogenaamde Champagnes poort rivier, daar wy niet

 

ver van onse vorige plaats vernagten, dog geen bosjes vonden om vuur te maaken, dus moesten wy dezen nagt zonder vuur doorbrengen. het terrein was als het vorige, het weer op den middag en door den dag excessief heet met een stille ooste wind tegen den avond seer kout met een frisse zuid oost. quetsten een hyaena dien wy te paart injoegen dog raakte weg in het gebergte hy loopt als of hy van agteren styf was. al galloperende

 

24 NOVEMBER 1777

24 hebben van den nagt zeer kout gehad zonder vuur, z:o: [wind] egter niets vernomen, waren nat door den dauw. vertrokken zo dra den dag aanbrak, al z w t z aan zagen zeer veel coaggas, [en] noes, ook tamelyk springbokken en enige weinige bontebokken, quamen na vyf uren distantie op onse vorige plaats van stefanus smit, zagen aldaar vier vellen van ossen de welke door de vergiftige pylen der bosjesmans even na ons vertrek gedoodt waren, hebbende zy met nog vier beesten de vlugt genomen, ook hoorden wy dat zy by enen krieger ook in dese streeken, vyf beesten in die tydt weggenomen hadden

vertrokken, vier uren z z w na de plaats van andries peter burgers, waarna wy nog den zelvden avondt laat op de plaats van tjart van der walt, onse beste schutter, arriveerden. hebbende den gehelen dag sterk gereden, zo dat enige paarden flaaw geworden zyn (in margine: zagen desen morgen een zogenaamde spoegslang hy was omtrent drie voet lang geelbont de kop blies hy sterk op zo groot als een ey. schoon het lyf zeer dun was hy scheen my toe iets na een brilslang te lyken hy liep met het hooft opgeheft die by my waren waren bang om by hem te gaan zeggende dat hy op drie trat verder venyn uitspuugt het welk zo men enige krab heeft zo erg is als of hy byt, zo als van het paard sprong om  hem dood te slaan was hy in een gat gekropen. zag ook een groot versch zeekoei spoor dwars deur het velt, hy moet zeker 6 a 7 uren ver gaan om, by voor hem, genoeg water te komen.)

 

25 NOVEMBER 1777

den 25  met den dag reden wy z en z w lyk met drajen verder door en over het sneeuwgebergte, een weg die meer in de regte ging als die wy gekomen waren, vond de weg meer klippig met diepe dallen en hoogtens niet zo regulier met etages, ook meer bosjes passeerden na twe uren distantie een klein riviertje, het riviertje genoemt, by het welk een ledig huis stond het welk niet ver van hier oost in de gaats rivier loopt hier by zag ik een oyevaar de twede die hier in het land gezien heb, hore dat in maart en april verscheiden van die dieren hier komen dog niet lang blyven. zag een kleine trop springbokken, en een grote zogenaamde hartebeesten dog niet onder schoot; reden sterk door en arriveerde omtrent middag op de plaats van karel van der merwen, daar wy te voren geweest waren, waarna wy [langs] ons eerste pad de sneeuwberg weder afreden, en omtrent drie uren s'agtermiddags op de plaats van de beer arriveerden zynde dese togt in dertien dagen verrigt. desen gehelen dag is het aangenaam klaar weer geweest met een zagte zuide wind, zynde het koel op het gebergte; dog in de laagte komende vonden het warm, de vliegen beginnen ons te plagen.

 

26 NOVEMBER 1777

den 26  bleef op de plaats van de beer naar de wagen wagten. allerschoonst weer met een koele zuid oost de vliegen beginnen sterk te plagen. ging om springhasen of gerboos te vangen, het geene dus toegaat, dit dier houdt zig op in de grond, in gaten met pypen als een konyn, ordinair digt by water, om het gras, en doet veel schade in het koorn, dewyl men om de droogte in dese streeken het water dus leid, dat men het dagelyks door het koorn en wyngaart laat lopen, laat men het water in de gaten deser dieren loopen, die er dan uitlopen en dus nat zynde door honden of menschen gegrepen worden, somtyds verdrinken zy er in, ook zoeken zy door van binnen aarde in de pyp te krabben het water te hinderen by hun te komen, konden er geene vangen. men eet ze als een haas, hun springen is zeer geexagereert synde drie passen het verste dat men hun siet springen. hier zyn er vele. zag enige hottentotten, die en mannen en vrouwen benen of rieten, 7 a 8 duim lang door het tussen schot der neusgaten droegen, een dunne pypesteel dikte zo doede de bosjesmans of chinesen.

 

27 NOVEMBER 1777

27  allerschoonst warm weer weinig zuidelyke wind. omtrent drie uren in den agtermiddag een sterke donderbuy, die een groot uur duude uit den n:w: met regen vlagen, waarna de wind weder z:o: ging, met enige regen, de wagen arriveerde omtrent dese tydt, Van sneeuberg, spande het grote hippopotamus vel uit om te drogen, zoutende het op nieuws. sonder dat, kan sulks ommogelyk om desselfs oliagtigheid bewaart worden maakten alles klaar om morgen te vertrekken. omtrent agt uren des avonds, weder een sterker donderbuy uit den zelfden hoek, die met forsse regen den helft van de nagt aanhield regenende het nog met z:o: desen nagt, uit de donder wolken die door de wind terug gedreven worden.

 

28 NOVEMBER 1777

28  z o in den vroegen morgen regen, dog klaarde met de zon op, koel weer z:o: wind. vertrokken twe uren z ten oosten aan, repasserende de plaats van cristiaan opperman daar wy [agter] de swarte rivier, een moye cascade sagen maken, namen onse cours o z o aan na vier uren distantie quamen op de plaats van enen venter, waarby wy [eerst] de swarte rivier waarin de kleine sondags rivier hier by ingelopen was en een quartier daarna de gats rivier passeerden. zynde allen zeer ondiep. arriveerden om agt uren des avonds op de plaats de fontein van greve waar wy vernagten, onse cours is geweest eerst twe uren z:t:o: daarna agt a negen uren o z o houdende het sneeuw gebergte, al aan onse linkerhand dan eens wat nader dan wat verder dog meest op een paar uren, dog er springen ook ruggens uit die nader zyn

 

hebben dus de camdebo verlaten en hiet dit, onder sneeuberg op onse regterhand zag niets als een vlak afdragend velt met enige lage bergen, ook gingen wy afdragende, tot daar de voor noemde kleine riviertjes doorlopen waarna wy meest vlak dan eens rysende dan dalende door caro velt trokken, waar wy grote troppen springbokken zagen en ene trop van by de hondert noes ook enige hiergenaamde hartebeesten, dog hielden zig meest buiten schoot, zag ook twe secretarissen, en twe Jakhalsen die agter de springbokken Joegen. dit gehele velt is welversien van polipentaden. omtrent een uur van greves plaats word het caro velt seer boscasieagtig, dog de struiken niet hoger als tien en twaalf voet veel cotelidons, die [men] hier spekbonen noemt, hier onthouden zig veel buffels coedoes, en ook leeuwen, hebbende zy voor ses maanden nog een wagen op hol gebragt, also wanneer de beesten of paarden zo een dier ruiken, gaan zy meest op hol. vernamen niets, dog de hond sloeg twe driemaal in dit kreupelbos aan. het climaat was hier warmer, met gehele swermen vliegen vooral in de huisen, dewelke indien ze beten de menschen zouden delogeren, op de plaats van venter sneed men het graan al.

het weer is aangenaam dog warm op den dag en kout in den avond geweest, eerst zoals wy voorby het reusen casteel raakten z w daarna den gehelen agtemiddag zuid en fris z o tegen avond.

 

29 NOVEMBER 1777

29  mooy weer oostelyke koele wind, de lugt hier en daar bewolkt. de tuin van greve was in seer goede order vol bloemen groentens en vrugtbomen ook had hy een wyngaard geplant die wel groeide, dog het huis was als de meeste een klein riete of stro hut van een vertrek met klei of coemist besmeert.

vertrokken om half negen o z o lyk aan, passeerden na een en een half uur distantie, de [kleine] melksrivier die ook zuid oost in de sondags rivier loopt, daar na de droge vlakke rivier drie uren verder ook als hy loopt, in deselve sondagsrivier, daar na na vier uren de heemraads rivier, by de plaats [by bredecamp] van meiburg, alle dese riviertjes komen uit het sneewgebergte, dat wy al oost voortschietende op een uur, dan wat verder, dan nader aan onse linkerhand hielden, voerden de paarden by ene pieter erasmus. (de gecommitteerden waaren drie uren voor my uit.) reden tot onder de zogenaamde bruinshoogte, so na enen de bruin genaamt, zynde een tamelyke hoge tak die ten z w en z uit het sneewgebergte uitschiet, passeerden de blye rivier tussen pieter erasmus en court grovelaar die drie uren van een woonen

 

waarna wy in twe uren tot boven op bruinshoogte reden

dit wagenpad is zeer steil op twe plaatsen, so dat wy de paardewagen vast moesten houden terwyl zy poosden. de schemering was begonnen toen wy opwaren, peilde onse gehele cours tot hier o z o, waarna wy oost aan docerende [een en een half uur distantie] afreden na de plaats van Jacobus potgieter, daar ik de gecommitteerdens aantrof. arriveerden omtrent half negen, rekene twaalf uren regte distantie o z o tot [op] bruins hoogte van greve een uur oost na potgieter, leggende ten zuid westen een half uur de bosberg al het zelfde sneeuwgebergte een uitspringende berg, zogenaamt om dat er een bos agter legt. de kleine visrivier komt hier uit het noorden omtrent tien uren uit het sneewgebergte, loopt met vele kromme draayen z oost en zuid aan in de grote visrivier omtrent sestien uren distantie, dit is ook maar een kleine rivier. het terrein van greve was al dezelfd grond dan eens caro, by de rivieren doornbossen veel misembriantimums in de caro en arctotussen dan weer grasveld, by de bruinshoogte wierd het weder ruiger en by potgieter waaren vele hoge doorn bomen. zagen van daag zeer vele springbokken en enige harte beesten, schoten een springbok. ook een grote trop gieren, die een dode springbok afkloven, onder deselve waaren twe swarte. het is den gehelen dag allerschoonst weer dog warm geweest met een oostelyk windje; vonden in de huisen vele vliegen. en het koorn meest ryp.