| Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] |
den 16
S'morgens noorde frisse wind, koud weer, bewolkte lugt. had iets gedawt,
vertrok na het gebergte, z z oost op de distantie van een uur. na een
[versaagde?] hottentots kraal de schanse kraal genaamt. quam na twe uren
distantie, aan de voet van berg aan wiens hoogste krans dese schuilhoek was
geweest, klommen na boven, en na een quartier klimmens quamen wy by de krans die
overhong en een niet diep maar lang hol formeerden. hier vonden wy
hoorns van
opgeten ossen, en andere beenen. hier zag ik voor het eerst, hunne tekeningen op
de klippen, zynde enigen tamelyk dog het geheel slegt en geexagereerd, hadden
differente dieren geschildert meest swart ook rood en geel, en enige menschen,
kon ligt begrypen dat men gesegt dat zy dieren geschildert hadden dien men niet
kenden also men na velen raden moest wat het was. nam de tekening van de besten,
in de spelonk daar veel baviaans drek in lag, en vertrokk na onse wagens. ging
naast de vader, stefaanus smit, agter het lyk van syn jong soontje dat gisteren
gestorven was, en wy in het velt in een oude jenever kelder begroeven.
vertrokken om een uur n. oost op. ons geselschap bestond nu in 25 persoonen
waaronder 13 hottentotten hebbende vier wagens hebbende die menschen de gewoonte
om nu en dan een tour te doen om zeekoey spek, te schieten, [halen] en na met my
medegaande reden nog al langsamer hand na beneden, dog byna onmerkbaar, door een
groot vlak velt, half caro en half gras velt door hen gebroken veld genoemt, en
voor het beste gehouden om dat de schapen liever bosjes en de beesten gras
verkiesen. lieten het rode gebergte dat met een kleine poort van het rhinoster
gebergte af is aan onse regterhand op 6 a 7 uren distantie, en quamen om seven
uren, aan de zogenaamde champagnes rivier. een kleine spruit, die uit het
sneewgebergte komt en noord aan in zeekoey rivier loopt, een half uur van dese
plaats is eenen van der walt in een gevegt met de hottentotten voor anderhalf
jaar met een vergiftige pyl dood geschoten. sloegen onse tent op by de rivier in
een grasryke weide en sliepen gerust, zonder enig wilt dier of hottentot te
vernemen hebbende de beesten om de wagens gebonden. onse cours is tot hier vyf
uuren noordoost ten no: regte distantie geweest, konden sien schoon wy buiten de
eigentlyke sneeuwbergen waaren, dat wy nog tans op de bult deser bergen waren,
hier sneewt het ook en enige seer lage bergjes die hier en daar in dese vlaktens
leggen, dog by stefanus smit sneewt het meer omdat digter by hoger syn, men
heeft de sneew, so als nu merk, geexagereert vallende maar een of twe voeten,
uitgenomen in kuilen met dwarlwind.
zagen tot hier
enige springbokken coaggaas en noes. ook hasen, schoten een vogel van de grote
[en gelykenis] ener duif ligt grys op ieder vleugels sat een spoor. verder was
hy swart en wit, de kop meest wit, zyn aart is, als een kiewiet. lopende langs
de vogtige plaatsen het weer is van daag zeer fraay geweest, de wind is met de
son mede
gelopen. wy
hadden van een buffelstong gegeten die wat na tabac smaakte, en seker in een
tabacs zak moet gestoken hebben, alle die er van aten wierden ziek, ik heb er
sterk van gevomeert, waarna beter wierd.
den 17
gepasseerde nagt in den nanagt een sware mistige douw, alle nagten vooral
in den nanagt tot hier toe koud
de son trok het
op en het was een uur sons hoogte, geen wolk boven den horisont uitgenomen op de
sneeubergen die hier laag schynen, een weinig, wordende het zeer heet, met
weinig zuid ooste wind. vertrokken vroeg met ons sevenen te paart om een
slagvelt van Juny een jaar daar van der walt doodgeschoten is te besien,
leggende een uur uit onse cours, het zelve was een klippige heuvel daar sy sig
in verborgen hadden, en schoon de boeren er velen doodschoten nogtans niet
konden innemen, hier op hadden de hottentotten overal klippen gestapelt om als
borstweringen te dienen, als sy een hunner vyanden raken schreewt [die het doet]
hoi ha. vonden hunne verlaten kraal, van omtrent twaalf a dertien hutten dog er
stond niets als droge bosjes in een halve maan tegen het zuiden beschut,
waarover zy matjes hangen. Zynde oostelyk open, zy leggen in de ronte langs dese
bosjes, telde in ene hut agt slaapplaatsen zynde eene ondiepe kuil [agt duim in
de midden diep] in de grond, alle digt aan een, dekkende zig met hun vel over,
vond eenige slegt gebakken stukken van potten die van buiten voor ornament
uitgekorven waaren. van der walt is op 74 pas geschoten, zagen geene geraamtens,
[en] maar een graf zynde een [ronde] hoop klippen, zagen verscheide troppen
elanden van 30 en 40 eene nou twe struisen, waarvan een mannetje op het nest zat
dat een vlakke kuil in de grond was, waarin 17 goede eiyeren. namen ieder een,
en maakten jagt op de hiergenaamde elanden, die wy te paart injaagden en desen
dag ses dood schoten en twe kwetsten, het geen my verwonderden was dat zulk een
swaar dier, zynde de grootste dien wy kreegen agt voet 11 duim lang, was en 5
[voet], 10 duim hoog ter wyl sy liepen sprongen deden, als een springbok dog
niet dikwils. denke dat dese dieren domestiek gemaakt, goede trek, slagt en melk
vee zouden worden het is seker geen eland. de [oude] bullen hebben [een] rosse
borstelagtige haarige kuif op het voorhooft na de syde der neus swart opstaande,
als een nou dog niet so lang of so laag, zy hebben een ruige korte streep ros
hair tot by de schoft van de horens iets als een maan en een swarte streep van
de nek tot de staart, zy waaren meest vaal ros iets leikleurig na het onderlyf,
enige bullen hebben drie en vier seer smalle witte strepen van de schoft tot na
beneden dog niet allen, de jonge bullen hebben de langste hoorens, de horens der
koei zyn dunder dog ook lang, maar de draai in de hoorens is niet zo sterk, zy
hebben vier tepels, geen traangaten en een grote galblaas, kon geen besoar
vinden. de poten en hele postuur lykt veel naa een os, dog hoger op de benen en
iets dunder van lyf, en kleiner kop, een zeer dikke gedrongen hals, een
uitstekende
een duimlang
kraakbenige knop onder de keel waarby een negen duim brede smalle kwal tot by de
voorpoten afhangt, met ros hair onder aan twe en een half duim lang. het is over
het geheel een der schoonste dieren die men zien kan, zy verschillen in grote en
ook in couleur in het ene of andere velt, zynde een dier dat schoon vervolgt
zonder gevaar kan geschoten worden, men jaagt ze in, hem de wind zyde
afsnydende, waar na zy altoos toe lopen, men springt van het paart en schiet.
kwamen in den agter middag by de wagens. en spanden uit, lieten het vlees halen,
en begonnen fris op te braden zynde zeer lekker vlees. de wagens hadden een
soort van vos, a genoemt gevangen en een jong sogenaamde bosverken met die grote
slagtanden sonder snytanden. sagen, verscheide hasen, patrysen, coaggas en
zogenaamde hartebeesten. ons cours is van daag vier uren noord oost ten noorden,
geweest.
door een seer
ongemerkt afgaand Vlak velt hier en daar klippig met weinige klippige heuvels
hier en daar. de grond [rosse] klei als overal, dog iets losser meest grasvelt
ook hier en daar [lage] bosjes velt byna geen bloemen enige weinige gele en
witte arctotussens en kleine misenbriantimums. vonden hier en daar goed water,
als het regent, dog droogt uit en wort brak, by dat water staat veel riet als in
europa, en houden vele watervogels, een onser, schoot 2 eenden in een schoot,
die zeer lekker maar klein waren. wy hebben geene wilden kunnen vernemen. het
weer was desen dag aller schoonst de wind met de son sterker wordende en hem
volgende s'avons ging leggen. in dit velt waaren vele aard eekhorens gaten ook
miereneters dus mierhopen, alle onse jagers hadden hun struisei verloren
uitgenomen ik.
den 18
het had een weinig gedaawt, dog een fraaje nagt geweest
hebben gerust
geslapen. het schoonste weer des werelds met een kleen westelyk windje, [dat
schielyk oostelyk wierd] vertrokken, na dat men alle fris op, gebraden en
gegeten hadden, noordoostelyk aan, en troffen een trop van 17 noes die op ons
uit nieuwsgierigheid aan kwamen dog niet onder schoot, maakten er jagt op dog
konden ze niet injagen, het is een plaisier dese dieren te zien lopen staande
hunne witte staarten om hoog en agter op schoppende, ook geheel van de grond
springende zy hebben een raar heumeur, want zag een der zelven by een half uur
agter een springbok jagen. sagen nog verscheide troppen noes enige [weinige]
bontebokken en springbokken.
ook bosverkens
en hartebeesten quamen omtrent middag geheel verhit en verdorst, zynde het heet
schoon de wind weder noord met de zon liep en een lugtje maakte, aan een lekkere
fontein daar wy ons verqwikten, en onse coers vervolgden zonder iets te kunnen
schieten, quamen tegen vyf uren by een fontein die zeer brak was daar wy om het
goede gras blyven moesten vonden daar een trop van omtrent 130 elanden, onse
paarden moey zynde konden niet digt by komen, dog schoten drie en lieten twe
leggen om morgen afteslagten also den avond ons overviel. vonden een kuil beter
water zo dat wy onse dorst die sterk was konden lesschen
dese plaats
hieten de boeren de schuilhoek, doordien een uitgesonden commando op de
bosjesmans hier gescholen hebben ook zagen wy desen dag van verre nog twe
verslagen kralen de ene de boter kraal genoemt om dat zy er veel gestolen boter
vonden. onse coers is van daag n:o:t:n: geweest ses uren, de grond meest [soet]
gras velt hier en daar caro en gebroken velt, meest horisontaal, dog nu en dan
iets rysende en dalende, de grond nog al klei, ros en geel, dog los. met klippen
voor al op de rysende velden, er waaren byna geen bloemen zynde enige weinige
arctotussen en kleine blaawe misembriantimums, sloegen eene vale slang vier voet
lang dood. overal vonden aardeekhorens gaten, ook miereneters, en bosverkens (in
margine: kwetste een nou dog kreeg hem niet) dese verkens slapen s'nagts in
gaten, de hottentotten spionen dese plaatsen af, stoppen ze toe en halen ze er
s'morgens uit. zagen enige zogenaamde Jakhalsen, komende het naast by onse vos,
het weer is weder den gehelen dag verrukkelyk geweest egter warm. hebben geen
ene wilde vernomen zagen op den middag eenige dampen van verre by de bergen, als
kleine mistige wolken uit de grond oprysen.
den 19
hebben gerust geslapen, egter by beurten. [en] opgepast met ons vee by
ons, kregen de visite van een hyaena die egter niet digt by maar fris op huilde.
het heeft tamelyk gedaawt, en is weer het schoonste weer van de wareld zonder
een wolk aan de lugt, belovende een hete dag
enen oostelyk
lugtje zo dat na gedagten, de wind weder met de zon zal megaan en opwakkeren,
vertrokken noordelyk omtrent anderhalf uur horisontaal en over enige lage
ruggens waarna wy weder tamelyk hebbende door een vlak velt twe en een half uur
afdaalden, en by een rivier quam daar het heuvelagtig met riet en lage bosjes
was.
zagen lage
klippen in lange bogen door het velt geset
hier en daar
een opening, op dese klippen setten de wilden struis veren met boegoe sterk
besmeert, by dese [wyde] openingen zyn de jagers in kuilen in de grond, dan
jagen anderen het wilt dat wind op loopt tussen dese openingen passeert.
(in margine:
dese vos is anders als de hier genaamde jakhals, hy was)
en de grond los
schoon anders desen dagreis weer hetzelve soort van velt en grond sagen enige
elanden waar van een schoten enige nous spring en bontebokken dog weinig veel
hasen die hier klein vallen een onser jagers schoot er een met de kogel de kop
af, dog in de sit, hier waaren ook patrysen
sagen vele
gieren rondom een afgeslagte eland, passeerden lege vooraf genoemde hottentots
schiet en jagtplaatsen, ook enige schiet plaatsen die zy in een uitgeholde
mierenhoop gemaakt hadden. zagen weder die damp tegen de ruggens die het als
gebroken en veel hooger toonde. by de rivier komende had die vele diepe en brede
kuilen, en liep hier en daar byna droog, hebbende het in dit hele velt [agter
sneeuwberg] dit Jaar weinig geregent. (in margine: zy komt uit sneeuberg loopt
eerst noord daarna hier oost aan dan seggen de wilden weder noord in de gariep
of grote rivier) hieteden dese rivier die soet dog laf water in had na de Edele
heer, plettenbergs rivier
hier vonden wy
veele hier genoemt zeekoeien dog hippopotamus spoor, en mist en zagen verscheide
hottentots koppen die hier voor twe jaar door een commando doodgeschoten zyn, zy
hadden de wilden niet kunnen betrappen die met gerooft vee over dese rivier
verder getrokken waren dog na enige zeekoejen geschoten te hebben deden zy als
of zy vertrokken enige uren terug trekkende, waarna die ongelukkige schepsels om
de rest van de zeekoejen kwamen, en omtrent 240 doodgeschoten wierden, dog de
boeren zeggen dat zy eerst begonden met pylen te schieten. hier by deze rivier
waaren klipbanken net als aan zee, en desen vertoonden zig dat men zeker zou
denken de zee hier geweest was, ook vond enige mosselschelpen en witagtige
schelpen die de bosjesmans hier vissen so als ook vis die hier rykelyk is, dog
kon niet sien van wat soort. weet nu dat het weke slegte vis is vol graten,
lykende een veel na onse carper dog ses lange lellen om de snuit, en de andere
veel na onse platvis. zy maaken een zoort van diepe breede korf van biesen, met
gestamt biesen touw gevlogten, en zetten die daar de stroom in naawe kuilen
afloopt. zag enige ouden zo dat zy hier na gedagten in lang niet geweest zyn.
zagen de rivier langs rydende drie deser hipopotamussen op het water op zy
dryvende slapen, zogten se te bekruipen dog zo als schieten wilde roken zy ons
boven wind zynde en dooken toen was het aardig hen ieder ogenblik dan hier dan
daar, dog tegen wind op, de kop met een geblaas als omtrent een noordkaper boven
steken en naar ons kyken, schoot den eersten vlak voor de kop waarop hy dook,
dog hadde maar een ordinaire jagt schoot kruit, zo dat onse jagers seiden meer
te laden om dit taaye dier te schieten, wy kwetsten nog enigen, zynde er vier in
dit omtrent een kwartier lang en meest 40 voet breet gat, waarna geen meer
zaagen, nu moet men [omtrent] een uur wagten dan dryven de dooden boven water.
ging en waste myn hemt also er maar een had in de rivier, en also het heet was
verlangde zeer om te swemmen, dog dese dieren doen imant aan in het water
maat en
beschryving der hippopotamus
aan. Voor
omtrent anderhalf Jaar beet er een een hond die hier in geswommen was na het
schieten, midden door gaande er eerst me na de grond. my wassende sag iets boven
water en liep er met myn geweer na toe, en vond het een door ons geschotene
zeekoey die meer en meer hoger begon te dryven, zynde vaal van couleur. sterk na
beneden horende schieten, en niet wetende of er de wilden, of iets anders was,
also meer dan tien schoten na een hoorde, trok myn hemt half droog aan en rende
met myn paart er na toe, er by komende was een grote hippopotamus even gekwest
aan de andere zyde uit de rivier gelopen in het riet, reed de rivier op een lage
plaats door, en naderde dit dier dat sterk lag te brullen, so sagt mogelyk tot
op vier a vyf pas en na hem wat bekeken te hebben, [loerende hy naar de Jagers
die aan de overzyde der rivier stonden.] zynde zeker een wonderlyk monstreus
dier, schoot hem tussen het oog en oor dat er een grote straal bloet uitvloog,
(in margine: sag naderhand dat ik hem door en door de kop geschoten had.) hy
sparde zyn grote muil wy open en beet aan alle kanten in het riet, al brullende
en deed nog effors om na mij toe te komen, dog de regte dood schoot gekregen
hebbende, storte hy [zig] al spartelende, weer in de rivier en wy sagen hen dood
zinken, het was deselve die voor de kop geschoten had hebbende daar een [kleine]
wonde, (in margine: doordien op syn gladde harde kop de te kleine schoot
afgeschampt was.) toen de Jagers
hen zagen zoeken de na beneden na een andere kuil te schipperen. gingen na de
eerste zeekoey en een hottentot swom er na toe zynde de overige deser dieren
hier dood of onderuit gelopen en bond hem een touw om een der poten, hy ging
boven op hem zitten en wy trokken hem dus dryvende met nog een ander hottentot
boven op hem na de wal en haalden hem met ons 25 na veel moeite uit het water.
met onse wagen selen daar de ossen aan trekken, mat er het dier na hem
geexamineert te hebben uitekenende, zynde een koei. onse cours was van daag vier
uren noordelyk en in het geheel van sneeuwberg tot hier n:o: t n: het weer is
zeer heet geweest ook de wind die noord bleev krygende wy tegen zon ondergank
donder en weerligt en den ganschen nagt met tussenposingen regen, waaren zeer op
onse hoede, ook voor de zeekoeien die uit het water by het veer komen en iemant
dood zouden trappen. schoon het veel geregent had was het velt nog gans droog en
stofferig.
er sprong van daag een grote hier genaamde tyger [anders panther] voor de osse wagen, bleef enigen tyd staan en liep toen weg, zag hem niet also wy van de wagen door het velt reden daar vele kleine mol [bles, hamster] en muisegaten waaren. dat het Jagen te paart wat dangereus maakt.