| Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] |
den 6
vertrokken s'morgens noordelyk op, om na de berevaley, zo genaamt, om dat
er de eersten menschen van dien naam gewoont hebben met zegt dat die wel twintig
uur noord van hier is en dat er hier vele leeuwen zyn, weshalven wy ons geweer
klaar maken. trokken door enige drajen van het [einde] swarte geberg ten noord
noordwest en wederom n en n n o, de nabe of witte uit, latende de Cloof daar hy
en woond, op onse regterhand.
zagen toen wy
boven op de vlakte kwamen, een tak bergen die by het toverwater cloof uit de
swarte bergen noord oost en oost aan loopt, de kwa geheten, trokken desselfs
oostelyke hoek welkers stratas veel na de tafelberg aan de caap lyken na vier
uren distantie van van der merwe in het n n oost om. het gebergte dat wy n o van
ons sagen op de distantie van 6 a 7 uren en de rietbergen genaamt lag lager als
daar wy waaren, schoon in een vlak Caro velt, gingen met etages af n:o: op
passeerde met sons ondergang een Cloof dewelke een andere tak van het gebergte
agter de kwa van de rietberg scheid, de sansee of rhebokke cloof, waarna wy
weerder n:w: aanreden omtrent een half uur n o van dese saan see loopt de
carieka door een poort van dese rietberg, en hiet hier de grote rivier, zy liep
so ver ik ze nasien kon hier oost aan, men segt dat se verder de gamtous rivier
word
het begon hier
donker te worden met sterke regenbuien uit den z:z:w: en men zeide hier vele
leeuwen te zyn, weshalven men voorsloeg om hier te blyven, also de leeuw in den
nagt niets ontsiet, en er ook vele by de berevaley zullen zyn en geen hout om
vuur te maken, waarop hout dat hier genoeg was agter op de wagen liet smyten, en
verkoos verder te ryden. wy reden dan om de west punt van de rietberg en kwamen
omtrent elf uuren s'nags aan de zogenaamde berevaley, zonder ene leeuw gesien of
gehoord te hebben het regende nog met kleine vlagen, sloegen de tent op en het
hout dat mede genomen had quam ons wel te pas, om ons te warmen zynde het nog
z:z:w: en seer kout. by het vuur sittend en hoorden wy iets naar ons toe komen,
met een gebrom en door enig hout heen barsten, wy dagten dat het de leeuw was.
ses
agt
twaalf vier
ses
agt
den 6
57 -
59 -
62 -
60 -
58 -
zuid zuid weste
frisse wind betrokke regen lugt zeer koel.
om negen uren een donderslag
van sons
ondergangk tot middernagt regen buien. en kout.
onse gekoppelde
Coers is van daag geweest n n oost 12 a dertien uren
schoon veel
meer door de drayen. alles caro, rosse kleigrond met klippen.
de hottentotten
waaren zo bang dat zy zonder vuur brand in de hand geen stap van de wagen wilden
doen, nam myn geweer en, na het dier dat nu sien konde toegaande terwyl de
hottentotten met brandhouten ligten, sag ik duidelyk een swartagtig dier naar
ons toekomen, en er op aan leggende om te schieten, begon het te blaren en vond
toen het by my kwam dat het een kalf was, welkers moeder na gedagten van de
leeuw gedood, of anders verdwaalt was, bonden het aan de wagen en gingen leggen
slapen. onse cours is vandaag gecoppelt noordoost geweest twaalf uuren
distantie, dog veel meer door draayen terrein als vooren, weinig of in het
geheel geen water als twe kleine kuilen. vele misembriantimums, zagen vele
springbokken, ook enige rhebokken.
den 7
na fris geslapen te hebben zonder enige leewen te vernemen, gingen wy
fris aan het vlees braden, myn hottentot schoot een springbok het been te stuk
dog kregen hem niet. trokken met den dag over de bere valey na de plaats van
niewenhuis dien wy aan de overzyde langs de zoute rivier, die maar hier en daar
brak water [kuilen] had, op een half uur distantie vonden, hier zagen wy een
leeuwin ses voet van snuit tot staart, voor eergisteren voor het stel geschoten.
sy stonk alrede. hier waren zedert een maant vier leewen op die wyse geschoten.
schoot een hier
genaamde aasvogel, bevond deselve een gier of vultur te zyn 7 voet 10 duim en
1/2 over de vleugels. (in margine: 3 voet 2 duim van den bek tot de punt van de
staart) hy aasde hier op de dode leewin, het is seer wonderlyk wat een sterke
reuk en gesigt die dieren moeten hebben also men er geen ziende, zo dra er een
dood stinkend aas legt men deselve er ordinaar by vind. hy is seer hard also hem
door de dye en lyf geschoten te hebben hy nog wel een quartier ver vloog. zag in
den avond het zingen en dansen eniger hottentotten; de vrouwen zongen al
klappende in de handen, en ene op een pot waar over een nat vel, slaande, hyaena
lietjes waaren, het lied van de leew, de wolf eland, en zo verdere dieren,
zingende zy van ieder zyn qualiteiten, en hebbende ieder lied enigsins een
andere melodie, observeerde dat zy malkanderen beurtelings invielen, dog alles
zeer wilt en onregelmatig; myn makker de heer paterson klaagde sterk van pyn op
de borst
den 8
s'morgens sprak de heer paterson van weder na de Caap te willen gaan also
zig gansch niet wel bevond en vreesde de fatigues niet te zullen uitstaan, en na
een goede occasie tot de terug reis met piet van der merve hebbende namen wy een
vriendelyk afscheid, spytende het my zeer also zyn goed caracter my zeer veel
geselschap aanbragt.
dese morgen
wilde my nieuwenhuisen, dewelke een oude joodsche patriarg in velen delen gelyk
was, wysen hoe hy de leeuwen voor het stel kreeg hebbende daar toe het stel
geset. by het selve komende wilde hy er tegen lopen om my te toonen, hoe het los
ging, vroeg hem of het geweer niet geladen was, waarop neen seide, hem nog eens
vragende, seide hy zeker niet. hierop liep hy tegen het touw en de schoot ging
met een forsse slag los, dagt in het begin dat hy my had willen surpreneren en
lagte met hem, dog de kogel hebbende horen fluiten en hem verwondert ziende, zag
ik dat het geweer degelyk met een kogel geladen was, hem examinerende vond ik de
kogel een handbreed agter syn dyen door syn velle overrok gevlogen. dus had hem
zynen domheid byna het leven gekost. vertrok om tien uren s'morgens oost half
noord langs de rietberg deselve op een uur aan myn regterhand latende, weet niet
waarom hy dus hiet dewyl ik er geen gras of lover op kon zien, [en] niet als
klippen. liet de uitgestrekte vlakte, veel naar een gelderse hei swemende op de
linkerhand, ziende men zo ver het oog na dese syde dragen kon, niets als vlakte,
hier en daar in het noord oosten een laag gebergte, door de verheid dus lykende
niets als bosjes en nog dun, een voet hoog byna geen bloemen als hier en daar
een misenbriantimum; de weg was seer goed en alleen hier en daar wat klippig,
zag omtrent middag eene boom twaalf voet hoog, ses voet in de stam en vier in
den omtrek die ik uit curieusheid liet uittekenen, en hem de verloren schildwagt
van dit veld noemde also hy zeker in vele uren geen makker had
aten in zyn
schaduw wat, zagen enige struisen, korhanen hier genaamde wilde paauwen, waarna
wy tussen de rietberg [die hier oost ten zuiden strekt, dus wy ons van hem] die
niet hoog is en nog een lager strekkend gebergte [swarte ruggens geheten]
doortrokken, alles vlak land en geen ruggens so als by de caap, leggende er
alleen hier lage klippige [kop] heuvels in een iets afhellende vlakte.
zagen een trop
van omtrent 20 coaggaas, en hier genaamde elanden canna, dog om het kale veld
konden er niet by komen, zagen twe gemsbokken ook hier genaamd anders de pasan
omtrent 20 sebraas en nog tien a twaalf struisen, ook een trop van omtrent 40
hier genaamde hartebeesten, dog door het kale veld konden er niet dan van verre
een ongewisse schoot op doen. arriveerden omtrent ses uren, aan eene verlaten
plaats, waar wy water dog [iets] brak vonden, hebbende geen water als twe slegte
regen kuilen op de gehele weg gesien, digtby dese plaats stonden enige
doornbomen
wy passeerden
op een half uur van deselve, de enigste laagte van de hele weg zynde een
uitgedroogde rivier. lieten onse ossen wat vreten, dog bonden deselve aan de
wagen toen het donker wierd uit vrees voor de leeuw. wy hoorden hier digtby voor
sons ondergank een hyaena huilen. sliep in de tent en de hottentotten in het
verlaten huis. een observatie met de termometer willende nemen, viel hy en brak,
het geen my seer leet deed. de hottentotten lieten het vuur uitgaan door
zorgeloosheid, zodat hen moest gaan roepen, om onse ossen niet te verliesen door
het wilt gedierte
den
7 ses -59 -agt
62 - twaalf
79 -
vier 72 - ses
- agt
mooy
helder warm weer in den morgen enigsins bewolkte donderlugt, dog op den middag
weinig. nog z w zagte wind
examineerde een
zogenaamde weerwolf voor het stel geschoten zynde mede een [zoort] hyaena dog
verschillende van de anderen. dit dier was zeer ruig, het hair was van boven
swart dog de de onderhelft grys, het lange haar begint by de voorpoten dekt het
hele lyf staart en al, en is vreedt aan het voelen
de voorpoten
zyn veel dikker als de agterpoten, het onderste der poten van de poingnet was
niet ruig, de voorsten gestreept met swarte strepen als de hyaena van buffon. de
agtersten veel swarter irregulier. de kop swart [iets] grys kort hair, swarte
knevels de hals iets langer hais ros grys. had maar vier nagels [klaauwen] aan
ieder voet. de aasvogels [gieren] hadden hem in een halve dag, byna geheel het
binnenste buiten gekeert, veel, zeer raar al het vlees van de benen gehaald. zo
dat nog oren nog sexe nog zakje onder den staart kon observeren. de hottentot
sinesen, hieten hen doe of kor, of oaar.
rynlands voet
duim
lengten van
snuit tot staart
3 -
8 1/4
lengte van de
staart
lengte van syn
hair op de rug
0 -
11-
geen manen als
de andere hyena
0
- 9-
hoogte van
voren
1 -
10-0
hoogte van
agteren
1 -
10-0
lengte van de
kop
0 -
10-0
omtrek van de
snuit onder de ogen
1 -
0-0
die en de ogen
en kop was als een hyena dog kleinder.
had ses snytanden twe caninen agt kiesen in de onder kaak vier incisiven boven van de grote van de ondersten, en twe caninen iets kleinder als de ondersten, waar agter nog twe [iets] groter caninen, een distantie van een half duim tussen beiden waarin de ondersten sloten, dan twe lage puntige kiesen, dan [ ?] ordinaire groter en agter deselve de agtersten ook aan ieder zyde van de bek eene zeer grote dripuntige, ieder na binnen in de bek met twe punten voorsien, dus waren onder sestien en boven sestien tanden. de bovenste kaak kiesen sloten tot by de voorste puntige kiesen over de onderste