Page [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26]

 

6 NOVEMBER 1777

den 6  vertrokken s'morgens noordelyk op, om na de berevaley, zo genaamt, om dat er de eersten menschen van dien naam gewoont hebben met zegt dat die wel twintig uur noord van hier is en dat er hier vele leeuwen zyn, weshalven wy ons geweer klaar maken. trokken door enige drajen van het [einde] swarte geberg ten noord noordwest en wederom n en n n o, de nabe of witte uit, latende de Cloof daar hy en woond, op onse regterhand.

zagen toen wy boven op de vlakte kwamen, een tak bergen die by het toverwater cloof uit de swarte bergen noord oost en oost aan loopt, de kwa geheten, trokken desselfs oostelyke hoek welkers stratas veel na de tafelberg aan de caap lyken na vier uren distantie van van der merwe in het n n oost om. het gebergte dat wy n o van ons sagen op de distantie van 6 a 7 uren en de rietbergen genaamt lag lager als daar wy waaren, schoon in een vlak Caro velt, gingen met etages af n:o: op passeerde met sons ondergang een Cloof dewelke een andere tak van het gebergte agter de kwa van de rietberg scheid, de sansee of rhebokke cloof, waarna wy weerder n:w: aanreden omtrent een half uur n o van dese saan see loopt de carieka door een poort van dese rietberg, en hiet hier de grote rivier, zy liep so ver ik ze nasien kon hier oost aan, men segt dat se verder de gamtous rivier word

het begon hier donker te worden met sterke regenbuien uit den z:z:w: en men zeide hier vele leeuwen te zyn, weshalven men voorsloeg om hier te blyven, also de leeuw in den nagt niets ontsiet, en er ook vele by de berevaley zullen zyn en geen hout om vuur te maken, waarop hout dat hier genoeg was agter op de wagen liet smyten, en verkoos verder te ryden. wy reden dan om de west punt van de rietberg en kwamen omtrent elf uuren s'nags aan de zogenaamde berevaley, zonder ene leeuw gesien of gehoord te hebben het regende nog met kleine vlagen, sloegen de tent op en het hout dat mede genomen had quam ons wel te pas, om ons te warmen zynde het nog z:z:w: en seer kout. by het vuur sittend en hoorden wy iets naar ons toe komen, met een gebrom en door enig hout heen barsten, wy dagten dat het de leeuw was.

ses              agt        twaalf         vier         ses            agt

 

den 6

 57      -       59    -       62     -       60    -    58     -       

zuid zuid weste frisse wind betrokke regen lugt zeer koel.

      om negen uren een donderslag

van sons ondergangk tot middernagt regen buien. en kout.

onse gekoppelde Coers is van daag geweest n n oost 12 a dertien uren

schoon veel meer door de drayen. alles caro, rosse kleigrond met klippen.                                  

 

de hottentotten waaren zo bang dat zy zonder vuur brand in de hand geen stap van de wagen wilden doen, nam myn geweer en, na het dier dat nu sien konde toegaande terwyl de hottentotten met brandhouten ligten, sag ik duidelyk een swartagtig dier naar ons toekomen, en er op aan leggende om te schieten, begon het te blaren en vond toen het by my kwam dat het een kalf was, welkers moeder na gedagten van de leeuw gedood, of anders verdwaalt was, bonden het aan de wagen en gingen leggen slapen. onse cours is vandaag gecoppelt noordoost geweest twaalf uuren distantie, dog veel meer door draayen terrein als vooren, weinig of in het geheel geen water als twe kleine kuilen. vele misembriantimums, zagen vele springbokken, ook enige rhebokken.

 

7 NOVEMBER 1777

den 7  na fris geslapen te hebben zonder enige leewen te vernemen, gingen wy fris aan het vlees braden, myn hottentot schoot een springbok het been te stuk dog kregen hem niet. trokken met den dag over de bere valey na de plaats van niewenhuis dien wy aan de overzyde langs de zoute rivier, die maar hier en daar brak water [kuilen] had, op een half uur distantie vonden, hier zagen wy een leeuwin ses voet van snuit tot staart, voor eergisteren voor het stel geschoten. sy stonk alrede. hier waren zedert een maant vier leewen op die wyse geschoten.

schoot een hier genaamde aasvogel, bevond deselve een gier of vultur te zyn 7 voet 10 duim en 1/2 over de vleugels. (in margine: 3 voet 2 duim van den bek tot de punt van de staart) hy aasde hier op de dode leewin, het is seer wonderlyk wat een sterke reuk en gesigt die dieren moeten hebben also men er geen ziende, zo dra er een dood stinkend aas legt men deselve er ordinaar by vind. hy is seer hard also hem door de dye en lyf geschoten te hebben hy nog wel een quartier ver vloog. zag in den avond het zingen en dansen eniger hottentotten; de vrouwen zongen al klappende in de handen, en ene op een pot waar over een nat vel, slaande, hyaena lietjes waaren, het lied van de leew, de wolf eland, en zo verdere dieren, zingende zy van ieder zyn qualiteiten, en hebbende ieder lied enigsins een andere melodie, observeerde dat zy malkanderen beurtelings invielen, dog alles zeer wilt en onregelmatig; myn makker de heer paterson klaagde sterk van pyn op de borst

den 8  s'morgens sprak de heer paterson van weder na de Caap te willen gaan also zig gansch niet wel bevond en vreesde de fatigues niet te zullen uitstaan, en na een goede occasie tot de terug reis met piet van der merve hebbende namen wy een vriendelyk afscheid, spytende het my zeer also zyn goed caracter my zeer veel geselschap aanbragt.

dese morgen wilde my nieuwenhuisen, dewelke een oude joodsche patriarg in velen delen gelyk was, wysen hoe hy de leeuwen voor het stel kreeg hebbende daar toe het stel geset. by het selve komende wilde hy er tegen lopen om my te toonen, hoe het los ging, vroeg hem of het geweer niet geladen was, waarop neen seide, hem nog eens vragende, seide hy zeker niet. hierop liep hy tegen het touw en de schoot ging met een forsse slag los, dagt in het begin dat hy my had willen surpreneren en lagte met hem, dog de kogel hebbende horen fluiten en hem verwondert ziende, zag ik dat het geweer degelyk met een kogel geladen was, hem examinerende vond ik de kogel een handbreed agter syn dyen door syn velle overrok gevlogen. dus had hem zynen domheid byna het leven gekost. vertrok om tien uren s'morgens oost half noord langs de rietberg deselve op een uur aan myn regterhand latende, weet niet waarom hy dus hiet dewyl ik er geen gras of lover op kon zien, [en] niet als klippen. liet de uitgestrekte vlakte, veel naar een gelderse hei swemende op de linkerhand, ziende men zo ver het oog na dese syde dragen kon, niets als vlakte, hier en daar in het noord oosten een laag gebergte, door de verheid dus lykende niets als bosjes en nog dun, een voet hoog byna geen bloemen als hier en daar een misenbriantimum; de weg was seer goed en alleen hier en daar wat klippig, zag omtrent middag eene boom twaalf voet hoog, ses voet in de stam en vier in den omtrek die ik uit curieusheid liet uittekenen, en hem de verloren schildwagt van dit veld noemde also hy zeker in vele uren geen makker had

aten in zyn schaduw wat, zagen enige struisen, korhanen hier genaamde wilde paauwen, waarna wy tussen de rietberg [die hier oost ten zuiden strekt, dus wy ons van hem] die niet hoog is en nog een lager strekkend gebergte [swarte ruggens geheten] doortrokken, alles vlak land en geen ruggens so als by de caap, leggende er alleen hier lage klippige [kop] heuvels in een iets afhellende vlakte.

zagen een trop van omtrent 20 coaggaas, en hier genaamde elanden canna, dog om het kale veld konden er niet by komen, zagen twe gemsbokken ook hier genaamd anders de pasan omtrent 20 sebraas en nog tien a twaalf struisen, ook een trop van omtrent 40 hier genaamde hartebeesten, dog door het kale veld konden er niet dan van verre een ongewisse schoot op doen. arriveerden omtrent ses uren, aan eene verlaten plaats, waar wy water dog [iets] brak vonden, hebbende geen water als twe slegte regen kuilen op de gehele weg gesien, digtby dese plaats stonden enige doornbomen

wy passeerden op een half uur van deselve, de enigste laagte van de hele weg zynde een uitgedroogde rivier. lieten onse ossen wat vreten, dog bonden deselve aan de wagen toen het donker wierd uit vrees voor de leeuw. wy hoorden hier digtby voor sons ondergank een hyaena huilen. sliep in de tent en de hottentotten in het verlaten huis. een observatie met de termometer willende nemen, viel hy en brak, het geen my seer leet deed. de hottentotten lieten het vuur uitgaan door zorgeloosheid, zodat hen moest gaan roepen, om onse ossen niet te verliesen door het wilt gedierte

 

 

den 7 ses -59   -agt   62    - twaalf  79      - vier 72    - ses  - agt

mooy helder warm weer in den morgen enigsins bewolkte donderlugt, dog op den middag weinig. nog z w zagte wind

 

examineerde een zogenaamde weerwolf voor het stel geschoten zynde mede een [zoort] hyaena dog verschillende van de anderen. dit dier was zeer ruig, het hair was van boven swart dog de de onderhelft grys, het lange haar begint by de voorpoten dekt het hele lyf staart en al, en is vreedt aan het voelen

de voorpoten zyn veel dikker als de agterpoten, het onderste der poten van de poingnet was niet ruig, de voorsten gestreept met swarte strepen als de hyaena van buffon. de agtersten veel swarter irregulier. de kop swart [iets] grys kort hair, swarte knevels de hals iets langer hais ros grys. had maar vier nagels [klaauwen] aan ieder voet. de aasvogels [gieren] hadden hem in een halve dag, byna geheel het binnenste buiten gekeert, veel, zeer raar al het vlees van de benen gehaald. zo dat nog oren nog sexe nog zakje onder den staart kon observeren. de hottentot sinesen, hieten hen doe of kor, of oaar.

 

rynlands voet      duim

lengten van snuit tot staart                              3       -    8 1/4

lengte van de staart

lengte van syn hair op de rug                             0       -    11-

geen manen als de andere hyena                            0       -     9-

hoogte van voren                                          1       -    10-0

hoogte van agteren                                        1       -    10-0

lengte van de kop                                         0       -    10-0

omtrek van de snuit onder de ogen                         1       -     0-0

die en de ogen en kop was als een hyena dog kleinder.

had ses snytanden twe caninen agt kiesen in de onder kaak  vier incisiven boven van de grote van de ondersten, en twe caninen iets kleinder als de ondersten, waar agter nog twe [iets] groter caninen, een distantie van een half duim tussen beiden waarin de ondersten sloten, dan twe lage puntige kiesen, dan [  ?] ordinaire groter en agter deselve de agtersten ook aan ieder zyde van de bek eene zeer grote dripuntige, ieder na binnen in de bek met twe punten voorsien, dus waren onder sestien en boven sestien tanden. de bovenste kaak kiesen sloten tot by de voorste puntige kiesen over de onderste